Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 10 november 2015
[naam] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
van de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zeven naar het recht van Italië strafbare feiten.
- Alle vormen van transport naar Italië zullen – in zijn algemeenheid – voor personen met dezelfde leeftijd, fysiologische reserves en inspanningstolerantie een fysieke en mentale belasting vormen met een altijd aanwezig risico op complicaties.
- In strikte zin zijn er geen contraindicaties voor vervoer per vliegtuig.
- Indien hij gaat vliegen dient minimaal rekening te worden gehouden met de volgende adviezen:
Grief Istrekt ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Met
grief IIbetoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten te concluderen dat de IRK in maart 2015 de vordering van de officier van justitie niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Volgens [appellant] blijkt uit artikel 17 Kaderbesluit Pro en artikel 22 OLW Pro dat de uitspraak op een EAB een definitieve beslissing inhoudt. Hieruit volgt, zo stelt [appellant] , dat bij de uitspraak van 14 december 2010 definitief negatief is beslist op het EAB van 4 oktober 2010 en dat het dus niet mogelijk was om in januari 2015 opnieuw te vorderen dat op hetzelfde EAB zou worden beslist. De IRK had de officier van justitie in maart 2015 daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat zij dit niet heeft gedaan levert een zodanige juridische misslag op dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad, aldus [appellant] , zodat de voorzieningenrechter had moeten oordelen dat de Staat geen rechtens te respecteren belang heeft bij uitvoering van de beslissing van de IRK. In elk geval had de voorzieningenrechter prejudiciële vragen moeten stellen.
grieven III tot en met VIIbetoogt [appellant] dat de voorgenomen feitelijke overlevering onrechtmatig is vanwege een dreigende (flagrante) schending van de artikelen 2, 3 en/of 6 EVRM. Volgens [appellant] wordt door overlevering zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro geschonden, nu sinds het eerste verzoek tot overlevering in de eerste helft van 2002 dertien jaren zijn verlopen. Dit tijdsverloop zou uitsluitend aan de Italiaanse autoriteiten zijn toe te rekenen aangezien zij tot januari 2015 hebben geweigerd een terugkeergarantie te verstrekken. Gelet op de leeftijd van [appellant] en zijn deplorabele gezondheidstoestand dreigt volgens [appellant] voorts een schending van de artikelen 2 en 3 EVRM, waarbij [appellant] wijst op de door [medisch adviseur Info Medical Medisch Adviesbureau] gesignaleerde reële en ernstige risico’s tijdens het vervoer en tijdens de detentie in Italië.
“….en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan”worden afgeleid dat de IRK kennelijk geen (dreigende) schending van het EVRM heeft vastgesteld. Er is onder die omstandigheden ook geen grond voor de conclusie dat wel sprake is van een schending van diezelfde rechten die zijn neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
effective remedyzal kunnen vinden. Het vertrouwensbeginsel en artikel 11 OLW Pro verzetten zich er dus ieder afzonderlijk tegen dat in dit kort geding wordt aangenomen dat Italië niet zal voldoen aan de in artikel 6 EVRM Pro neergelegde rechten.
ter zittingdoor de Staat is toegezegd dat het onderzoek zou worden verricht door een arts, verbonden aan het UMC Groningen is niet juist. Afgesproken is dat in overleg tussen partijen zal worden bepaald door welke artsen een onderzoek zal worden verricht naar de mogelijkheden van vervoer van [appellant] naar Italië.
grieven II tot en met VIIfalen. Grieven
I en VIIIhebben geen zelfstandige betekenis.