Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 15 september 2015
1. [naam],
[naam],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- het voorzien van een eigen aansluiting van de aanbouw op een eigen riolering en het verplaatsen van de gezamenlijke afwatering zodanig dat deze niet meer het te openen raam belemmert;
- het verwijderen van het zijraam met raamdorpels en het volledig herstellen van de bouwmuur mede door vertanding;
- het verwijderen van de betonrand van het balkon tot de erfgrens alsmede het niet gebruiken van het balkon voor een ander doel dan onderhoud aan de achtergevel;
- toebedeling van de eigendom van de muur bij notariële akte aan [appellanten];
- instemming (op voorhand) met oplegging dan wel inbouwing van een eventuele dakbalk;
- instemming (op voorhand) met het eventueel plaatsen van een aanbouw waarbij deze muur gebruikt zal worden als binnenmuur, waarbij er leiding en/of stucwerk tegenaan zal worden geplaatst.
- Het bedrag van €4048.8 gestort te zien op (….)
- Een conceptbrief van een Notaris omtrent het regelen van de mandeligheid van de bouwmuur. (…)”
eerstegrief heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat bij de beoordeling in overweging wordt genomen de omstandigheid dat de woningen van partijen hier zogenaamde rijtjeshuizen betreffen met zij- en achterburen, zodat uit dien aard de privacy van bewoners in hun achtertuin zeer beperkt is. Onduidelijk is volgens de grief wat de kantonrechter hiermee heeft bedoeld. Het hof overweegt dat [appellanten] geen belang hebben bij deze grief omdat deze, ook als deze zou slagen, niet tot een ander dictum kan leiden.
tweedegrief heeft de kantonrechter zonder dat de belangen van [appellanten] voldoende zijn gewaarborgd, bepaald dat zij bij de notaris de mandeligheid van de zijmuur dienen vast te leggen. In de toelichting bij de grief stellen [appellanten] dat zij primair afbraak van de muur vorderen en subsidiair medewerking aan het notarieel vastleggen van de mandeligheid van de muur met het recht tot inbalking teneinde een eigen aanbouw te realiseren. Daarnaast moet [appellant 1] op basis van deze mandeligheid worden gevrijwaard van enige verplichting tot onderhoud aan de mandelige muur. De muur is immers zonder toestemming van [appellanten] gebouwd en niet conform de gangbare bouwvoorschriften en evenmin door een gerenommeerd bouwbedrijf. Er rust dan ook geen garantie van een aannemer op de bouwconstructie, reden waarom ook [appellanten] niet aansprakelijk gehouden kunnen worden voor deze constructie. De mogelijke kosten van een mandelige muur dienen enkel voor rekening van [geïntimeerde] te komen.
derdegrief is gericht tegen de belangenafweging die de kantonrechter heeft gemaakt bij de beoordeling van de vraag of er een overtreding is van het bepaalde in art. 5:50 BW Pro. Volgens [appellanten] laat dit artikel geen belangenafweging toe, zoals volgt uit HR 13 juni 2003, NJ 2003, 507. De
vierdegrief verwijt de kantonrechter geen (duidelijke) overweging te hebben gewijd aan de afwijzing van de vordering tot het niet gebruiken van het balkon. Ook hier geldt volgens [appellanten] dat voor een belangenafweging geen plaats is.
vijfdegrief heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat ten aanzien van de vorderingen met een toekomstig karakter het belang bij toewijzing niet is onderbouwd. [appellanten] hebben aangevoerd dat zij enkel belang hebben bij een mandelige muur wanneer zij ook het recht verkrijgen tot inbalking in deze muur. Ook deze grief kan niet slagen. Het hof verwijst naar art. 5:67 BW Pro waarin is bepaald dat iedere mede-eigenaar tegen de mandelige scheidsmuur mag aanbouwen en daarin tot op de helft der dikte balken mag aanbrengen mits hij aan de muur geen nadeel toebrengt. Hieruit volgt al reeds een recht tot inbalking zodat [appellanten] geen belang hebben bij het opnemen daarvan in een notariële akte.
zesdegrief klaagt dat de kantonrechter in strijd met art. 237 Rv Pro de proceskosten heeft gecompenseerd. Deze grief faalt eveneens. De kantonrechter heeft in de aard van het geschil aanleiding gezien de proceskosten te compenseren. Alhoewel juist is dat het enkele feit dat het hier om een geschil tussen buren gaat, geen reden kan zijn om op grond van art. 237 Rv Pro tot compensatie over te gaan, geldt hier tevens dat partijen in eerste aanleg over en weer op relevante onderdelen in het ongelijk zijn gesteld.