ECLI:NL:GHDHA:2015:2526
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- H.M. Wattendorff
- A.A. Rijperman
- V. Disselkoen
- Rechtspraak.nl
Disproportionele arbeidsrechtelijke maatregel ontheffing en degradatie bij SVB
In deze zaak stond centraal of de Sociale Verzekeringsbank (SVB) terecht een arbeidsrechtelijke sanctie had opgelegd aan een werkneemster, bestaande uit ontheffing uit haar functie als teamleidster en degradatie naar een lagere functie met lager salaris. Deze maatregel volgde op een verzoek van de werkneemster aan een collega om een mutatie in het SVB-systeem door te voeren, waarbij zij zichzelf registreerde als eenoudergezin in plaats van co-ouderschap, wat gevolgen had voor de bevoegdheid tot wijziging van het rekeningnummer voor kinderbijslag.
De kantonrechter had de maatregel geschorst en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelde dat de werkneemster handelde als klant en niet als werknemer bij het verzoek, dat zij de juiste procedure volgde en dat er geen bewijs was van misbruik van haar positie of schade aan SVB. Ook speelde mee dat de toepasselijke cao deze sanctie niet kent en dat de werkneemster een lange onberispelijke staat van dienst had en zich in een emotioneel belastende echtscheidingssituatie bevond.
Het hof concludeert dat de maatregel disproportioneel is en in strijd met de norm van goed werkgeverschap. SVB wordt veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep, terwijl de werkneemster wordt veroordeeld in de kosten van het incidenteel beroep. Het arrest bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de maatregel van ontheffing en degradatie disproportioneel is en in strijd met goed werkgeverschap.