Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 februari 2015
[appellante],
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Onroerend goed: Woonhuis met aanhorigheden en erf en tuin samen groot (…) het perceel tuingrond met camping groot (…) kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie A [00]”.
“Een perceel grond met water, gedeeltelijk in gebruik als tuinland, met daarop ketelhuis en kassen en voor het overige in gebruik als kampeerterrein met daarop aanwezige opstallen (…).”
“De camping, recreatieterreinen, tuinland, schuur, erf en water”.Verder zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
“1. Gemeld onroerend goed is verkocht en gekocht voetstoots, in de staat, waarin het zich bevindt, met alle lusten en lasten, welke het heeft en welke er op gevestigd zijn. (…) 8. Verkoper verbindt zich het verkochte op heden geheel ontruimd, vrij van huur en ongevorderd op te leveren aan koper, die het gekochte als voormeld aanvaardt in eigen gebruik”.
“Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar voormelde aankomsttitel deel 2053 nummer 60 waarin woordelijk staat vermeld:
`Met het recht van weg zullen zijn bevoorrecht en bezwaard als volgt: (…)’”
“Cliënt juicht de sloopwerkzaamheden op zich toe. Het is hem echter opgevallen dat het zware materieel dat bij de sloop wordt ingezet, schade toebrengt aan zijn eigendommen waaronder de weg die op zijn perceel ligt en aan cliënt in eigendom toebehoort. Hij verzoekt u daarom vriendelijk om de weg, voor zover deze aan cliënt in eigendom toebehoort, na voltooiing van de sloop in oude staat te herstellen.”
“(…) Samen met de heer [geïntimeerde 2] bent u eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Alkemade, sectie L, nummer [00]. Ten behoeve van uw perceel maakt u gebruik van de weg die mede over het perceel van cliënten naar de [adres] leidt. Cliënten begrijpen dat u en de heer [geïntimeerde 2] van plan zijn om uw perceel als een camping in te richten en als zodanig te (laten) gebruiken en dat u de camping over hun perceel wilt ontsluiten op de [adres]. (…) Cliënten stemmen niet in met deze voorgenomen ontsluiting vanwege de daarmee samenhangende grote toename van de verkeersdruk op het pad langs hun woning. De reikwijdte van uw recht om over het perceel van cliënten van en naar de [adres] te gaan, laat een dergelijke buitenproportionele wijziging ook niet toe. Om deze reden verzoek ik u en de heer [geïntimeerde 2] om mij schriftelijk te bevestigen dat u de camping niet over het perceel van cliënten zult ontsluiten.”Aan [geïntimeerde 2] is een brief met gelijke inhoud gezonden.
“ter wille van de rechtszekerheid het recht zich na verloop van tijd bij de feitelijke situatie behoort aan te sluiten”(Parl. Gesch. Boek 5, p. 262). [appellante] heeft, tot slot, niet gesteld dat zij de verjaring heeft gestuit.
dathij de camping is begonnen omdat daarmee vast staat dat dit vóór 1 januari 1992 is geweest. Op grond van de koopovereenkomst, de taxatie en de verklaring van [verkoper] is het hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat er op 1 januari 1992 onder meer een kampeerterrein was op het perceel [00]. Het andersluidende standpunt van [appellante] is in het licht hiervan onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat er meerdere brieven door [geïntimeerde 1] c.s. zijn overgelegd van huurders van plaatsen op het kampeerterrein die betrekking hebben op de voortzetting van de huur. Voor zover de brieven zijn gedateerd, zijn ze uit het voorjaar van 2006, terwijl er één brief (van Schoonmaakbedrijf [G]) is die betrekking heeft op het seizoen 2003. Uit deze brieven is naar het oordeel van het hof voldoende af te leiden dat er in ieder geval tot 2006 een functionerend kampeerterrein op het perceel [00] aanwezig is geweest. Het feit dat in de leveringsakte waarmee [geïntimeerde 1] het perceel [00] geleverd heeft gekregen is opgenomen dat het perceel zal worden geleverd “vrij van huur” sluit niet uit dat [verkoper] en [geïntimeerde 1], zoals laatstgenoemde stelt, hiermee niet hebben gedoeld op de verhuur van individuele kampeerplekken. Nu hierboven reeds is vastgesteld dat de weg over het perceel [01] de enige ontsluiting van perceel [00] naar de openbare weg is geweest, is daarmee gegeven dat de weg mede ten behoeve van het kampeerterrein gebruikt is geweest en dat aldus een erfdienstbaarheid is ontstaan die dit gebruik omvat. De vraag of dit gebruik te goeder trouw is geweest zoals bedoeld in artikel 5:73 lid 1 BW Pro en of dit gebruik in overeenstemming was met het toegestane gebruik van het perceel kan dan verder onbesproken blijven. De conclusie daarvan is dat niet kan worden gezegd dat de erfdienstbaarheid niet mede strekte tot exploitatie van het kampeerterrein.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2012;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. tot op heden begroot op € 299,- aan verschotten en € 1.341,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.