Het gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van moord, maar veroordeeld voor doodslag. De verdachte stak het slachtoffer meerdere malen met een mes, wat leidde tot diens overlijden. Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat sprake was van moord, maar wel van opzettelijke doodslag.
De verdediging voerde diverse verweren aan, waaronder noodweer, noodweerexces, putatief noodweer en psychische overmacht. Het hof verwierp deze verweren omdat de aanvalssituatie was beëindigd en de verdachte zelf de confrontatie had opgezocht. Ook was er geen sprake van een hevige gemoedsbeweging die het handelen rechtvaardigde.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, het leed van de nabestaanden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die volledig toerekeningsvatbaar werd geacht. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd de straf verlaagd van 8 naar 7,5 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De vordering van de benadeelde partij was in hoger beroep niet meer aan de orde omdat deze reeds was voldaan. Het arrest werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 2 juli 2015.