Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Rolnummer hoofdzaak : 13/00732
[X],
verzoeker,
Gerechtshof Den Haag
In een bestuursrechtelijke belastingzaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen een raadsheer van het gerechtshof Amsterdam, stellende dat deze de schijn van vooringenomenheid wekte en dat de rechterlijke macht onzorgvuldig te werk ging.
De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag behandelde het verzoek nadat het was verwezen vanuit Amsterdam. De kern van het wrakingsverzoek betrof gedragingen tijdens een zitting op 10 maart 2015. Verzoeker diende het wrakingsverzoek echter pas op 14 april 2015 in, ruim 35 dagen na de zitting.
De raadsheer stelde dat het verzoek te laat was ingediend en dat het niet voldoet aan het vereiste van tijdigheid zoals voorgeschreven in artikel 8:16 Awb Pro. De wrakingskamer oordeelde dat de feiten en omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd op de zitting bekend werden en dat verzoeker geen geldige reden had gegeven voor de vertraging.
Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Een afschrift van deze beslissing werd toegezonden aan verzoeker en de gewraakte raadsheer.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor indiening.