Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[verdachte],
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
13 (dertien) maanden.
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
- verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij GGZ Reclassering Palier te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd, zo frequent en zo lang de Reclassering dat nodig acht, verplicht is mee te werken aan urineonderzoek;
- gedurende de proeftijd, indien de Reclassering dat nodig acht, zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een dagbestedingsproject, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;
Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
€ 311,93 (driehonderdelf euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 11,93 (elf euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 311,93 (driehonderdelf euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 11,93 (elf euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
6 (zes) dagenhechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.