Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 26 mei 2015
Het verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
kuifje.nlen
hergegenootschap.nl, die beide toegang geven tot haar website.
in goede justitie juist acht, openbaar te maken en te verveelvoudigen;
, aan de advocaat van Moulinsart schriftelijk opgave te doen van:
te staken en gestaakt te houden het gebruik in de domeinnaam van HG van het merk Kuifje, of elk daarmee verwarringwekkend overeenstemmend teken;
in goede justitie juist acht, geen overeenkomst tussen partijen gold op grond waarvan HG gerechtigd was werken uit het oeuvre Hergé openbaar te maken en/of te verveelvoudigen;
te staken en gestaakte te houden het gebruik in de domeinnaam van HG van het merk Kuifje, of elk daarmee verwarringwekkend overeenstemmend teken,
- periode (i): vanaf 23 april 2009 tot 1 januari 2012, en
- periode (ii): vanaf 1 januari 2012 tot en met 23 juni 2013.
nietdegene is die kan beslissen wie materiaal uit de albums openbaar mag maken en dus niet (machtiging ter zake van) de in deze zaak relevante auteursrechten heeft; en (iv) dat HG het charter nooit met Moulinsart zou hebben gesloten indien zij had geweten dat Moulinsart de rechten (machtiging) niet bezat. In de door HG als productie 56/58 in het geding gebrachte overeenkomst tussen Hergé en Casterman uit 1942 wordt onder meer bepaald:
kuifje.nl.Met deze grief keert Moulinsart zich tegen het oordeel van de rechtbank dienaangaande in rechtsoverweging 4.20 van het bestreden vonnis.
kuifje.nl. HG heeft dat betwist: zij stelt dat zij het teken ‘kuifje’ niet gebruikt ter onderscheiding van waren of diensten, dat er geen producten (meer) worden verkocht via deze website, en dat alleen sprake is van ‘ander gebruik’ als bedoeld in artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE. Bij pleidooi in hoger beroep heeft HG nader toegelicht dat zij vroeger wel enkele producten aanbood maar dat deze niet waren voorzien van het teken Kuifje. Gelet op deze betwisting had het op de weg van Moulinsart gelegen om haar stelling te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, is naar het oordeel van het hof in rechte niet komen vast te staan dat HG (in ieder geval thans) het merk ‘kuifje’ gebruikt ter onderscheiding van waren en/of diensten. De vordering van Moulinsart, voor zover gebaseerd op artikel 2.20 lid 1 sub a of b BVIE, is dus niet toewijsbaar. In zoverre faalt grief 4. Voor zover deze vordering is gebaseerd op de bepaling sub a is zij bovendien niet toewijsbaar omdat het teken ‘kuifje’ in de domeinnaam niet gelijk (identiek) is aan genoemd woord/beeldmerk.
‘voor zover het betreft de publicatie van tekeningen en teksten uit de albums van Hergé’, begrijpt het hof uit latere, door Moulinsart niet betwiste uitlatingen van HG dat zij buitengerechtelijk de nietigheid van het
gehelecharter heeft ingeroepen (pleitnotities onder 7-9, 32-33) en dat haar dus geen partiële nietigheid voor ogen staat (artikel 3:41 BW Pro). Voor zover inderdaad moet worden aangenomen dat het charter geheel nietig is, kunnen vorderingen 3, 4 en 6 in dit verband dus niet worden toegewezen en faalt grief 4 in zoverre.
The domain name of the internet site shall under no circumstances include the name and/or trademark TINTIN®. There is the possibility of placing this name to the right of the domain name (for example: www.moulinsart.com/tintin)”. Volgens Moulinsart is daarmee ook ‘Kuifje’ (de Nederlandse naam van Tintin) verboden. HG heeft dat betwist. Gelet op die betwisting en op de tekst van de charter-bepaling, die duidelijk alleen spreekt over ‘Tintin’ en die niet spreekt over vertalingen, had het op de weg van Moulinsart gelegen op haar (impliciete) stelling dat partijen met deze bepaling ook op ‘Kuifje’ doelden, te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, is naar het oordeel van het hof in rechte niet komen vast te staan dat het charter ook ‘Kuifje’ in een domeinnaam verbiedt. Vorderingen 3, 4 en 6 kunnen (ook) in dit verband dus niet worden toegewezen. In zoverre faalt grief 4.
Moulinsart heeft de gevorderde proceskosten niet bestreden met uitzondering van de kosten die zijn gemaakt in verband met een Hergé-expert ten bedrage van € 1.016,40 (opgenomen in factuur 164, productie 57). Zij heeft – terecht – aangevoerd dat dergelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen (Indicatietarieven onder 3). Dit bedrag wordt dus in mindering gebracht.