ECLI:NL:GHDHA:2014:945

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2014
Publicatiedatum
20 maart 2014
Zaaknummer
200.126.996/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kamminga
  • Husson
  • Punselie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvArt. 1:392 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en wijziging kinderalimentatie met zorgkorting en achterstallige betalingen

In deze zaak stond de bijdrage van de vader aan de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kind centraal. De vader was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin hij een maandelijkse alimentatie van €500 moest betalen vanaf 1 december 2011. Het hof bevestigde de behoefte van het kind op €270 per maand en stelde de draagkracht van beide ouders vast op basis van hun netto-inkomens en forfaitaire kosten van levensonderhoud.

De vader had nog geen alimentatie betaald en partijen kwamen overeen dat de achterstallige alimentatie forfaitair zou worden vastgesteld op het bedrag van de vakantie-uitkeringen van de vader over 2014 en 2015. Het hof berekende de draagkracht van de vader op €443 per maand, rekening houdend met een fiscale voordeel van €28 per maand en een zorgkorting van 15% (€23). De draagkracht van de moeder werd vastgesteld op €82 per maand.

Na verrekening van het kindgebonden budget van €84 per maand, kwam het hof tot een behoefte van €186 per maand. Het eigen aandeel van de vader in de kosten werd vastgesteld op €156, verminderd met de zorgkorting tot €133 per maand. De beschikking werd vernietigd en opnieuw vastgesteld met ingang van 1 januari 2014. De vader moet de alimentatie telkens bij vooruitbetaling voldoen en de achterstallige alimentatie wordt voldaan via de vakantie-uitkeringen in mei 2014 en mei 2015.

Uitkomst: De vader moet vanaf 1 januari 2014 €133 per maand kinderalimentatie betalen en de achterstallige alimentatie wordt voldaan via vakantie-uitkeringen in 2014 en 2015.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 19 februari 2014
Zaaknummer : 200.126.996/01
Rekestnummer rechtbank : FI RK 11-3820
Zaaknummer rechtbank : 391501
[de vader],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K.R. Lieuw On te Amsterdam,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 14 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 februari 2013 van de rechtbank Rotterdam.
Bij tussenbeschikking van 11 september 2013 van dit hof, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, is met toepassing van artikel 282a, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald dat de vader kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
De moeder heeft op 23 oktober 2013 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
  • op 19 september 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
  • op 27 december 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen.
van de zijde van de moeder:
  • op 27 december 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
  • op 7 januari 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.
De zaak is op 9 januari 2014 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 1 december 2011, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige, voor wat betreft de na 14 februari 2013 te verschijnen termijn telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 500,- per maand.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1.
In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).
2.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende de moeder in haar verzoek alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de moeder alsnog af te wijzen als zijnde ongegrond en niet bewezen.
3.
De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof:
primair: de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging van de bestreden beschikking;
subsidiair: het hoger beroep ongegrond te verklaren en de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen;
kosten rechtens.

Behoefte

4.
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is tussen partijen overeengekomen dat de behoefte van de minderjarige kan worden vastgesteld op € 270,- per maand.

Draagkracht

5.
Het hof overweegt als volgt. Het hof zal de draagkracht van partijen vaststellen en de behoefte van de minderjarige naar rato van ieders draagkracht tussen partijen verdelen.
6.
De ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie is door de rechtbank bepaald op 1 december 2011. Onbestreden staat vast dat de vader nog geen enkele bijdrage aan de moeder heeft voldaan. Ter zitting is tussen partijen overeengekomen dat de door de vader verschuldigde achterstallige alimentatietermijnen zullen worden vastgesteld op een forfaitair bedrag. Partijen zijn hiertoe overeengekomen dat de vader tegen finale kwijting aan de moeder zijn volledige vakantie-uitkering over de jaren 2014 en 2015 zal betalen. Dit leidt ertoe dat het hof de draagkracht van partijen zal berekenen per 1 januari 2014 en met ingang van deze datum een door de vader te betalen bijdrage zal vaststellen.
7.
Het hof zal bij de berekening van de draagkracht uitgaan van de met ingang van 1 april 2013 gewijzigde normen waarbij op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met de redelijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige. Dit leidt ertoe dat het hof rekening zal houden met een woonlast van 30% van het netto inkomen alsmede een forfaitair bedrag van € 860 voor de kosten van levensonderhoud.
Draagkracht vader
8.
Tussen partijen staat onbestreden vast dat het bruto jaarloon van de vader € 34.271,- bedraagt. Dit leidt met inachtneming van de toepasselijke heffingskortingen tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.076,- per maand. Het hof zal rekening houden met een netto woonlast van € 622,- per maand, zijnde 30 % van het netto besteedbaar inkomen.
9.
Het draagkrachtloos inkomen van de vader bedraagt € 1.482,- (€ 622,- + € 860,-) per maand.
10.
De draagkrachtruimte van de vader bedraagt € 594,- (€ 2.076,- -/- € 1.482,-) per maand. Rekening houdend met een draagkrachtpercentage van 70 becijfert het hof de draagkracht van de vader op € 415,- per maand. Tevens zal het hof vooruitlopend op de in rechtsoverweging 15 vast te stellen zorgkorting alsmede de in rechtsoverweging 16 vast te stellen kinderalimentatie rekening houden met het door de vader te behalen fiscale voordeel ad € 28,- per maand, en de draagkracht van de vader vaststellen op € 443,- per maand. Het hof merkt daarbij op dat ter zitting de advocaat van vader er mee heeft ingestemd geen rekening te houden met de door de vader opgevoerde schuld,
Draagkracht moeder
11.
Het hof overweegt als volgt. Hoewel de vader ter zitting bezwaar heeft gemaakt tegen de door de moeder op 7 januari 2014 overgelegde bewijsstukken dat zij werkloos is geworden, zal het hof wel rekening houden met deze stukken, nu deze eenvoudig te doorgronden zijn. Uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat zij met ingang van 4 december 2013 werkloos is geworden en tot 4 februari 2014 een WW-uitkering ter hoogte van 75% van haar dagloon zal ontvangen. Na deze datum zal de moeder een WW-uitkering ter hoogte van 70% van haar dagloon ontvangen. Het hof zal uit praktische overwegingen uitgaan van laatstgenoemd percentage nu de moeder slechts gedurende een maand een hogere WW-uitkering zal ontvangen.
12.
Het bruto jaarloon van de moeder bedraagt € 21.749,-. Dit leidt met inachtneming van de toepasselijke heffingskortingen tot een netto besteedbaar inkomen van € 1.396,- maand. Het hof zal rekening houden met een netto woonlast van € 418,- per maand, zijnde 30 % van het netto besteedbaar inkomen.
13.
Het draagkrachtloos inkomen van de moeder bedraagt € 1.278,- (€ 418,- + € 860,-) per maand.
14.
De draagkrachtruimte van de moeder bedraagt (€ 1.396,- -/- € 1.278,-) € 118,- per maand.
Het hof oordeelt dat in dit geval een draagkrachtpercentage van 70 redelijk is en becijfert de draagkracht van de moeder op € 82,-.
Draagkrachtvergelijking
15.
Bij het maken van een draagkrachtvergelijking houdt het hof rekening met een door de moeder te ontvangen kindgebonden budget van € 84,- per maand. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de behoefte van de minderjarige, waardoor uit wordt gegaan van een behoefte van € 186,-. Uit de door het hof gemaakte draagkrachtvergelijking volgt dat het eigen aandeel van de vader in de kosten van de minderjarige (totale draagkracht is 525; 433/525 x186=) € 156,- per maand bedraagt. Ten behoeve van de kosten van de zorgregeling zal het hof uitgaan van een zorgkorting van 15%. Deze zorgkorting van € 23,- strekt in mindering op het eigen aandeel van de vader, waardoor het eigen aandeel van de vader € 133,- per maand bedraagt.
16.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de door de vader te betalen kinderalimentatie vaststellen € 133,- per maand, waarbij het hof ervan uitgaat, dat de vader met de kosten van zorg het fiscaal voordeel zal kunnen realiseren.
17.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof zal beslissen als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt met ingang van 1 januari 2014 de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op € 133,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de door de vader aan de moeder verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige over de periode van 1 december 2011 tot 1 januari 2014 vast op een forfaitair bedrag, gelijk aan de door de vader te ontvangen vakantie uitkering over de jaren 2014 en 2015, en bepaalt dat de vader het volledige bedrag uit hoofde van deze uitkering respectievelijk in mei 2014 en in mei 2015 aan de moeder zal voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Husson en Punselie, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2014.