Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.Tenlastelegging
3.Procesgang
4.Het vonnis waarvan beroep
5.Beslissingen op verzoeken
- [verdachte] is op 12 november 2005 in [locatie bedrijf 6] aangehouden en hij heeft zich tot 11 november 2008 in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden. Met ingang van deze datum is hij onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Indertijd woonde hij met zijn gezin in Lyon, Frankrijk. Om hem moverende redenen is hij naar Peru gereisd, wetend dat er in Peru (mede) ten laste van hem aanzienlijke beslagen op vermogensbestanddelen waren gelegd en er een strafrechtelijk opsporingsonderzoek wegens witwassen naar hem liep, met alle risico’s van arrestatie van dien. Bij de uitreis vanuit Peru op 23 november 2013 met als uiteindelijke bestemming Nederland ten behoeve van de zitting van 25 november 2013 is hij aangehouden. Sedertdien heeft hij zich in detentie in Peru bevonden.
- In de periode van 25 november 2013 tot en met
- Behalve [verdachte] staan nog zes andere personen terecht. De behandeling van die zaken heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden. De omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling van de zaak eind 2013 niet kon worden voortgezet, heeft ook vertraging in de inhoudelijke behandeling van de zaken van die medeverdachten teweeggebracht.
- Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [verdachte] verklaard (blz. 16 proces-verbaal):
- Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [verdachte] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden.
- Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [verdachte] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [verdachte].
- Op 15 oktober 2014 heeft het hof een e-mail d.d.
- Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [verdachte] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang genomen.
- Op dit moment staat er geen rechtshulpverzoek uit op basis waarvan [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding gehoord kan worden in Peru.
- Het Openbaar Ministerie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar en 9 maanden plus een boete van € 50.000,= geëist tegen [verdachte].
6.Bespreking van de gevoerde verweren
gerechtvaardigdvertrouwen in een goede afloop is bij de verdediging op geen enkel moment sprake geweest. Onder deze omstandigheden en gezien de motivering van de beslissing van het Openbaar Ministerie in de brief van 24 maart 2014 om geen verzoek tot uitlevering te doen uitgaan, is geen sprake van een schending van eerder gewekt gerechtvaardigd vertrouwen bij [verdachte] door het Openbaar Ministerie. Het verweer kan dan ook niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
- [verdachte] is op 12 november 2005 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij invoer in Nederland van een grote hoeveelheid cocaïne. Vanaf die datum tot en met 11 november 2008 heeft hij zich in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden.
- De aan het oordeel van het hof onderworpen strafbare feiten staan vermeld in de tenlastelegging en zijn in dit arrest weergegeven en betreffen – kort gezegd – invoer in Nederland van hoeveelheden cocaïne in 2004 en 2005.
- Het ontnemingsdossier, gebaseerd op het onder 2 ten laste gelegde feit, is op dit moment niet onderworpen aan het oordeel van het hof en bevindt zich bij de rechtbank Rotterdam.
- Naar Nederlands recht is ‘witwassen’ een ander strafbaar feit dan betrokkenheid bij invoer in Nederland van een (grote) hoeveelheid cocaïne.
- Op 12 januari 2006 zouden in Peru afspraken zijn gemaakt over de vervolging tussen de daartoe bevoegde autoriteiten.
- In Peru zijn beslagen gelegd op bezittingen van [verdachte] en familieleden. Naar het hof begrijpt heeft dit plaatsgevonden nà de genoemde bijeenkomst in januari 2006.
- [verdachte] bevindt zich sedert 23 november 2013 in Peru in detentie. Naar het hof begrijpt is er nog geen definitieve aanklacht, maar wordt hem in Peru witwassen verweten van gelden verkregen uit cocaïne transporten. In ieder geval is in Peru nog niet ten gronde onherroepelijk over de hem verweten feiten beslist.
“De in beslag genomen blikken waren afwijkend van kleur ten opzichte van de overige blikken. Beiden waren aluminiumkleurig echter hebben de in beslag genomen blikken een donkerder kleur”. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij blikken heeft gezien van een andere kleur. Voorts hoorde hij een bonkend geluid toen hij schudde met het blikje waarin cocaïne bleek te zitten. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat ook in het blikje dat is teruggeplaatst op de zesde slag van pallet 17, cocaïne heeft gezeten. De bewijsmiddelen omtrent de andere blikjes van die lading waarin cocaïne is aangetroffen, zijn daartoe mede redengevend.
Het blikje dat werd teruggeplaatst op pallet 17 is in de loods in [locatie bedrijf 6] aangetroffen. Het aangetroffen blikje met inhoud is vervolgens vanuit de loods vervoerd naar het hoofdbureau van politie aan het [politiebureau] te Rotterdam. Hierop heb ik het blikje geopend en gezien dat de inhoud van het blikje soortgelijk was aan de inhoud van de andere op 8 november 2005 inbeslaggenomen blikjes met cocaïne. De inhoud is vervolgens door mij in de kluis geplaatst. De inhoud van dit blikje is niet bemonsterd. De cocaïne is op 9 januari 2006 vernietigd. Het andere blikje met cocaïne dat was geopend op 8 november 2005, was via een snelle methode bemonsterd en door mij meegenomen naar het bureau en in de kluis bewaard. De inhoud van dit blikje is eveneens op 9 januari 2006 vernietigd. Hiervan is echter geen apart proces-verbaal opgemaakt.”
7.Bewezenverklaring
8.Bewijsvoering
9.Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
10.Strafbaarheid van de verdachte
11.Vordering van de advocaat-generaal
.Ter zitting is de stand van het onderzoek besproken en zijn er zijdens een aantal raadslieden nieuwe, omvangrijke, onderzoeksverzoeken geformuleerd. Op 25 oktober 2011 heeft het hof de stand van het onderzoek beschreven en beslist op die nadere onderzoeksverzoeken, waarbij onder meer (andermaal) opdracht is gegeven tot het horen van enkele buitenlandse getuigen.
13.Strafmotivering
14.Beslag
15.Toepasselijke wettelijke voorschriften
16.BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) jaren en 6 (zes) maanden.