Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest na verwijzing
Het geding
De nieuwe beoordeling van het hoger beroep
inleiding
bent/wordt het onder het krediet in rekening-courant uitstaand saldo terug te brengen tot nihil [..]’
onderpandde voorraden
buitenHongarije, dat er voor circa 1400 ton aan voorraad bij Tibbett & Britten te Ullö ligt (‘Met Kaba samen in Hongarije circa 2300 ton’) en dat in het door Gelcorn op 25 oktober 2000 getekende contract een regel is opgenomen ‘waarin
verpandingvan alle voorraden aan CIB plaatsvindt,
dus ook de vrije bij T&B’(curs. hof). Weef c.s. hebben deze notitie afgedaan met de opmerking: dat het memo van Maico afkomstig is en niet van Gelcorn, daarom geen wijziging kan aanbrengen in de rechtsverhouding tussen Artesia en Gelcorn en slechts bevestigt dat de voorraad te Hongarije geen rol speelde bij de bepaling van de hoogte van de borrowing base. Dit is echter onjuist, althans volgt niet uit de notitie; die notitie bevestigt nu juist dat Maico en [naam 1] (die tevens bestuurder was van Weef en Gelcorn, vgl. 1.2 van het vonnis van 7 juli 2004) wisten dat de buiten Hongarije aanwezige voorraden aan Artesia waren verpand en dat de in Hongarije aangehouden voorraden, waaronder die bij Tibbett & Britten, als ‘vrije voorraden’ werden beschouwd die (daarom) door Gelcorn als zekerheid aan CIB zijn verpand. Uit de notitie volgt
nietdat met ‘vrije voorraden’ slechts bedoeld is dat deze voorraden niet meetelden voor de ‘borrowing base’. Het niet meetellen van de Hongaarse voorraden voor de borrowing base staat overigens vast en past bij het standpunt van Artesia dat er ook geen te effectueren pandrecht op rustte. Dat Artesia niettemin in de correspondentie wel een pandrecht heeft gepretendeerd, maakt dat standpunt niet onjuist of ongeloofwaardig en toont het gelijk van Weef c.s. niet aan; uit het opvoeren van een gepretendeerd recht volgt niet het bestaan van het recht.
onverlet de dadelijke opeisbaarheid van de corporate guarantee(curs. hof). Weef c.s. noemen ook de in 1.23 van het vonnis van 7 juli 2004 geciteerde brief van 5 december 2000. Die, als argument tegen hun standpunt aangehaalde brief, zou door de rechtbank verkeerd zijn geïnterpreteerd. Ook daarin hebben Weef c.s. ongelijk. De brief vangt immers aan met de mededeling dat Weef c.s. door het inroepen van de ‘first call corporate guarantee’ gehouden zijn tot
onmiddellijke betaling van NLG 3 mln. aan de bank, welke mededeling zich inderdaad niet verdraagt met de door Weef c.s. voorgestane uitleg. Dit laatste wordt niet anders doordat Artesia vervolgens heeft bewilligd in een verzoek om financiering van de betalingsverplichting in combinatie met een uitstel van betaling. Ook de na het inroepen van de corporate guarantee gemaakte afspraak dat Weef c.s. (in de persoon van [naam 1]) semi-leidend werden bij de uitwinning van de verpande voorraden en vorderingen bewijst niet en vormt geen voldoende aanwijzing dat subsidiariteit is overeengekomen.
nietaanwezig is geweest bij de bespreking van 7 oktober 1999 (letterlijk: ‘bij gesprekken tussen [naam 1] en Artesia over de vraag wat de corporate guarantee precies inhield’), heeft bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor (toen hij inmiddels advocaat in het arrondissement Roermond was) nader verklaard, onder meer:
- dat er eerst vrij uitgebreid is gesproken over een cash collateral en verder over een corporate guarantee;
niet aannemelijk makendat de corporate guarantee de gemaakte afspraken onjuist weergeeft. Ook volgt er niet uit dat Weef c.s. hier in redelijkheid van uit konden gaan en er op mochten vertrouwen dat de corporate guarantee, in weerwil van de bewoordingen ervan, het karakter van een subsidiaire zekerheidstelling zou hebben. [naam 1] en [naam 2] beroepen zich weliswaar op een uitleg in die zin door [naam 6], maar [naam 6] ontkent zodanige uitleg en wijst deze als onrealistisch van de hand, onder meer omdat de corporate guarantee in de plaats kwam van een cash collataral, waarbij Weef c.s. direct liquide middelen zouden moeten storten. De verklaringen van de andere getuigen bieden evenmin aanknopingspunten voor het als juist of aannemelijk aanvaarden van de lezing van [naam 1] en [naam 2], respectievelijk Weef c.s., ook niet op het punt van de beweerdelijk door [naam 6] gegeven uitleg. Dat die andere getuigenverklaringen niet steeds op elk onderdeel hetzelfde luiden, maakt dit niet anders. De kern van die andere verklaringen is dat de bewoordingen van de corporate guarantee een juiste weergave vormen van de gemaakte afspraak en dat van een afgesproken subsidiariteit / achterstelling geen sprake is geweest. Indien, zoals [naam 1] heeft verklaard, [naam 3] zich hierover tijdens een etentje met hem in tegengestelde zin heeft uitgelaten, legt dit onvoldoende gewicht in de schaal. Bovendien heeft [naam 3] als getuige nader gehoord, de juistheid van die verklaring van [naam 1] niet bevestigd. Objectieve aanwijzingen voor de juistheid of aannemelijkheid van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] ontbreken.
eerstde corporate guarantee is ingeroepen, alsook dat Weef c.s. daarmee hebben ingestemd. De vervolgens gemaakte afspraak over het semi-leidend zijn had derhalve betrekking op de verdere uitwinning en niet op het inroepen van de corporate guanrantee, hetgeen al was gebeurd. Voor hun (mogelijk) andersluidende standpunt hebben Weef c.s. onvoldoende aangevoerd.
nietziet op de stand van zaken na uitwinning van de overige zekerheden. Voor hun andersluidende standpunt hebben Weef c.s. onvoldoende aangevoerd. Bij gelegenheid van het pleidooi zijn zij niet gemotiveerd ingegaan op hetgeen Artesia bij memorie van antwoord naar voren heeft gebracht over de betekenis van de brief van 26 oktober 2000 en het daarin gebezigde begrip ‘netto outstanding’. Dat dit begrip – op basis van een uitleg overeenkomstig de Haviltexmaatstaf – door hen redelijkerwijs kon worden opgevat als het netto resultaat na uitwinning van de zekerheden ligt onvoldoende in hun stellingen besloten, althans ontbreekt daarvoor een voldoende onderbouwing. Verder staat vast dat Artesia bij brief van 1 november 2000 heeft verzocht om betaling van € 3.110.555,56, zijnde de hoofdsom uit hoofde van de kredietverstrekking (1.19 vonnis 7 juli 2004). Die hoofdsom ligt boven een ‘netto outstanding’ van NLG 6 mln., waardoor de in de brief van 26 oktober 2000 genoemde staffels geen toepassing vinden.