ECLI:NL:GHDHA:2014:4292
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verwijzing wegens schijn van partijdigheid in zaak ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
Appellanten, ouders in een zaak over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van hun kinderen, vorderden in hoger beroep verwijzing van hun zaak van het Gerechtshof Den Haag naar het hof Den Bosch wegens vermeende schijn van partijdigheid. Zij stelden dat het hof Den Haag door eerdere betrokkenheid en beslissingen in gerelateerde zaken de schijn van partijdigheid had gewekt.
Het hof overwoog dat de aangevoerde gronden niet vallen onder de in artikel 220 lid 1 Rv Pro genoemde verwijzingsgronden, omdat de zaken niet hetzelfde onderwerp betreffen en er geen verknochtheid is. Bovendien is het verzoek tot verwijzing te laat ingediend, aangezien artikel 220 lid 2 Rv Pro bepaalt dat een dergelijk verzoek bij de inleidende dagvaarding moet worden gedaan.
Daarnaast wees het hof het verzoek af om schriftelijk te mogen pleiten in plaats van mondeling, omdat niet alle partijen hiermee instemden. Het hof bepaalde dat het arrest in deze zaak op 3 maart 2015 zal worden gewezen. De vordering tot verwijzing werd afgewezen en verdere beslissingen werden aangehouden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verwijzing naar het hof Den Bosch af wegens het ontbreken van een wettelijke grond en het te late tijdstip van indiening.