ECLI:NL:GHDHA:2014:3850

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 oktober 2014
Publicatiedatum
28 november 2014
Zaaknummer
22-004214-12
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Categorie III Wet wapens en munitieArt. 1 onder 3 Wet wapens en munitieArt. 404 lid 5 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van wapenbezit in hoger beroep

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het bezit van een vuurwapen en bijbehorende munitie op of omstreeks 23 februari 2012 te Rotterdam. In eerste aanleg was verdachte vrijgesproken van het eerste ten laste gelegde feit en veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor het tweede ten laste gelegde feit, het wapenbezit.

Tegen deze veroordeling stelde verdachte hoger beroep in. Het hof heeft het onderzoek heropend om een cruciale getuige te horen, maar deze getuige verscheen niet en kon ook niet binnen een redelijke termijn worden gehoord. Daarnaast kon niet worden vastgesteld wie de twee anonieme getuigen waren die een belastende verklaring zouden hebben afgelegd.

Gezien het ontbreken van deze getuigenverklaringen en het ontbreken van ander overtuigend bewijs, oordeelde het hof dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte het wapenbezit had gepleegd. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde wapenbezit.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde wapenbezit wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004214-12
Parketnummer: 10-690119-12
Datum uitspraak: 23 oktober 2014
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1986,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
met als ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2013 opgegeven [adres] Brussel, België.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 10 oktober 2013 en 9 oktober 2014.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

2.hij op of omstreeks 23 februari 2012 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 van die wet in de vorm van een revolver van het merk Gun Toy, model Precise 880, kaliber .22 Short en LR, en de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
Vrijspraak
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Het hof stelt vast dat bij tussenarrest van 24 oktober 2013 het onderzoek is heropend, omdat bij beraadslaging was gebleken dat het hof het noodzakelijk achtte dat [getuige] als getuige zou worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Voorts heeft het hof, indien de raadsheer-commissaris geen gevolg zou kunnen geven aan het horen van deze getuige, aan de advocaat-generaal verzocht de getuige ter zitting op te roepen, waarbij het hof de medebrenging van de getuige zou gelasten.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris mr. K. Schaffels van 25 juni 2014 is de voormelde getuige [getuige], hoewel redelijk opgeroepen en gedagvaard op zijn verblijfplaats zoals vermeld in het GBA, op 21 mei 2014 niet bij de raadsheer-commissaris verschenen. Om die reden is tegen de getuige een bevel medebrenging uitgevaardigd voor een getuigenverhoor van 25 juni 2014. De getuige is die dag niet op zijn verblijfplaats aangetroffen. In dat licht is door de raadsheer-commissaris geconcludeerd dat het onaannemelijk is dat getuige [getuige] binnen een redelijke termijn door haar, dan wel door het hof kan worden gehoord.
Uit de bijgevoegde mutatie met nummer PL2000-2014119367-2 begrijpt het hof dat de bewoonster van het hierboven bedoelde verblijfadres van de getuige [getuige] – naar is gebleken de zus van de getuige – de getuige het huis uit heeft gezet en niets meer met hem te maken wil hebben. Van de getuige zijn geen andere adresgegevens bekend.
Wegens voormelde omstandigheden is afgezien van het oproepen van de getuige voor de nadere terechtzitting van 9 oktober 2014. Het hof acht het niet aannemelijk dat de getuige [getuige] binnen afzienbare aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen teneinde gehoord te kunnen worden.
Het hof stelt voorts vast dat de verdediging heeft gepersisteerd bij het horen van de twee anonieme getuigen – een vrouw en een man, die volgens de verbalisanten bij elkaar hoorden – die volgens de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen met nummers PL17J0 2012258122-11 en PL17J0 2012258122-13 zouden hebben gezegd dat de man, die zojuist door de politie werd aangehouden, lees: de verdachte, ‘iets’ in het water zou hebben gegooid.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de betrokken verbalisanten verklaard dat zij de gegevens van de hierboven genoemde onbekend gebleven getuigen niet genoteerd hebben en dat niet te achterhalen is om welke personen het gaat.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de inhoud van het dossier en onder bovengenoemde omstandigheden niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam, mr. J.A.C. Bartels en mr. H.J.M. Smid-Verhage, in bijzijn van de griffier mr. M. Simpelaar.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 oktober 2014.
Mrs. Duindam en Smid-Verhage zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.