Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 oktober 2014
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
- de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 132.140,23, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 lid 1 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 27 juli 2009 tot de dag van volledige betaling;
- de man veroordeeld in de proceskosten.
vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 lid 1 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 27 juli 2009 tot de dag van volledige betaling;
Het geschil
- een beslissing kan naar zijn inhoud de redelijkheidstoets niet doorstaan indien de bindend adviseur, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen;
- de wijze waarop het bindend advies tot stand is gekomen, dient eveneens aan de redelijkheid en billijkheid te worden getoetst. De fundamentele beginselen van procesrecht moeten in beginsel gehonoreerd worden.
.De bewijslast voor zijn stelling dat [de bindend adviseur] dit heeft nagelaten en wanprestatie heeft gepleegd, rust op de man. Dat sprake is van wanprestatie dient te worden vastgesteld in een procedure waarin [de bindend adviseur] als procespartij is betrokken. In de onderhavige procedure is [de bindend adviseur] geen procespartij. Alleen al hierom treffen de grieven 1 en 2 van de man geen doel en behoeven deze geen verdere bespreking. Aan het bewijsaanbod van de man ter zake de gestelde wanprestatie gaat het hof om diezelfde reden voorbij. Gelet op het vorenstaande is van buitengerechtelijke ontbinding geen sprake.