Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 25 februari 2014
200.094.832/01(de reguliere bodemprocedure) van:
de rechtspersoon naar vreemd recht VERMOP SALMON GMBH,
NEWELL RUBBERMAID LUXEMBOURG SARL,
200.094.837/01(de VRO-bodemprocedure) van:
de rechtspersoon naar vreemd recht VERMOP SALMON GMBH,
de rechtspersoon naar vreemd recht NEWELL RUBBERMAID LUXEMBOURG SARL,
200.072.139/01(het kort geding) van:
de rechtspersoon naar vreemd recht VERMOP SALMON GMBH,
de rechtspersoon naar vreemd recht NEWELL RUBBERMAID LUXEMBOURG SARL,
Het verdere verloop van het geding
Pleitnota in
Appel; de pleitnota’s in de eerste aanleg
Beoordeling van het hoger beroep
200.094.832/01(10-3234, de reguliere bodemprocedure): van Vermop in conventie: een verklaring voor recht dat NR inbreuk pleegt op de conclusies 13-15 van EP 903, een inbreukverbod met nevenvorderingen, en schadevergoeding/winstafdracht, en van NR in reconventie: vernietiging van de conclusies 13-15 van EP 903;
200.094.837/01(10-3674, de VRO-bodemprocedure): van NR in conventie: vernietiging van de conclusies 13-15 van EP 903, en van Vermop in reconventie: een verklaring voor recht dat NR inbreuk pleegt op de conclusies 13-15 van EP 903, een inbreukverbod met nevenvorderingen, en schadevergoeding/winstafdracht;
200.072.139/01(10-677, het kort geding): van NR in conventie: opheffing van het door Vermop gelegde beslag, een verbod aan Vermop tot handhaving van conclusie 13, met enkele nevenvorderingen, en van Vermop in reconventie: een verbod om inbreuk te maken op de conclusies 13-15 en op (de inmiddels in conclusie 15 opgegane) conclusie 16 van EP 903.
stillvan de Hygen-promotiefilm en een bij pleidooi overgelegd exemplaar van de Hygen-mophoes vastgesteld dat deze (zeer) licht zandlopervormig is; in het midden van de langsranden is deze hoes iets smaller dan aan beide uiteinden. In zekere zin zou dus kunnen worden gezegd dat de Hygen-mophoes uitsparingen heeft, maar de vraag is of dit uitsparingen in de zin van conclusie 14 van het octrooi vormen. Daarvoor moet deze conclusie worden uitgelegd, hetgeen dient te geschieden aan de hand van de beschrijving en de tekeningen (artikel 69 lid 1 EOV Pro en artikel 53 lid Pro ROW 1995).
relatief vlak pakket uit scharnierplaatdeel in het midden en klapvleugels aan de buitenzijde (…) bereikt’ (zie § 0007). Uit de op UV-2 betrekking hebbende passages van de beschrijving – naast
[0013] Om een optimale krachtverdeling te bereiken, kan het scharnierplaatdeel smaller zijn dan de beide klapvleugels, dit wil zeggen bijvoorbeeld de halve breedte hebben, waarbij bovendien de beide klapvleugels in de zone van de steelhouder een randuitsparing hebben. Op deze wijze ligt de scharnierverbinding van de steelhouder met het scharnierplaatdeel tussen de beide door de klapvleugels gevormde wisvlakken.’
[0026] Zoals het in het bijzonder uit de figuren 2, 3a - 3d, 7 alsmede 9 -12 zichtbaar is, is het scharnierplaatdeel 4 aanzienlijk smaller dan de klapvleugels 3, 3', bijvoorbeeld slechts half zo breed. Omdat de scharnierverbinding 17 aan de buitenste (vrije) langsrand 12 is aangebracht om de drukkracht ongeveer in het midden van het wisvlakken te kunnen opbrengen, maar anderzijds gegarandeerd dient te worden, dat de mophouder in de werkpositie daarvan volgens figuur 3d van de ene op de andere zijde draaibaar dient te zijn, zodat de beide verschillende wisvlakken gebruikt kunnen worden, hebben de beide klapvleugels 3, 3' volgens de figuren 7 en 8 buitenste randuitsparingen 13, 13'.’
aan de langsranden (14, 14’) aangebrachte zakken (6, 6’) voor het invoeren van de randdelen (5,5’) aan de langszijde van de klapvleugels (3, 3’)’.
aangebrachte zakken’ komen te luiden: ‘
aangebracht tweevoud van zakken’. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat er per langsrand 14 of 14’ een tweevoud van zakken is.
zakken’ in de zinsnede ‘
aan de langsranden aangebrachte zakken’ in § 0016 van de (oorspronkelijke, zie rov. 3.4) beschrijving en in de oorspronkelijke conclusie 13;
aan de langsranden aangebrachte zakken’ net zo goed kan worden gelezen dat er een zak is per langsrand, aangezien er een meervoud van langsranden is, zoals blijkt uit figuur 15, waarin de twee langsranden zijn aangegeven met 14 en 14’. Deze lezing acht de rechtbank het meest voor de hand liggend, en in elk geval kan naar haar oordeel niet worden gesteld dat de gemiddelde vakman uit die passage voldoende duidelijk en ondubbelzinnig zou afleiden dat er per langsrand altijd een tweevoud van zakken zou moeten zijn. Dit zou de gemiddelde vakman evenmin afleiden uit figuur 15, aldus de rechtbank die hiermee ook argument (ii) van Vermop heeft verworpen. Daartoe heeft de rechtbank redengevend geacht dat de in die figuur getoonde twee zakken per langsrand door de gemiddelde vakman zullen worden gezien als een logisch gevolg van de daarin toegepaste uitsparingen, en dat er zodoende sprake is van een (naar het hof begrijpt: ontoelaatbare) ‘
intermediate generalization’ als Vermop in conclusie 13 bescherming verlangt van een mophoes zonder uitsparingen maar met niettemin een tweevoud aan zakken. De voorzieningenrechter heeft aan zijn voorshands oordeel, dat de wijziging in conclusie 13 ongeoorloofde toegevoegde materie betreft, ten grondslag gelegd, dat figuur 15 een uitvoeringsvoorbeeld met uitsparingen openbaart en dat de reden van de twee zakken in de langsrand in deze figuur 15 geen andere is dan dat daarin uitsparingen zijn gemaakt.
in fine. Naar de gemiddelde vakman gelet op het hiervoor onder 4.3 t/m 4.9 overwogene zonder meer zal onderkennen en rechtbank en voorzieningenrechter terecht hebben geoordeeld, is het in figuur 15 zichtbare tweevoud van zakken aan iedere langsrand het gevolg van de in het octrooischrift beschreven maatregel om in een van de twee beschreven uitvoeringsvormen uitsparingen toe te passen, en niet een zelfstandige maatregel. Het feit dat in die figuur de twee zakken aan de ene langsrand beide zijn aangeduid met verwijzingscijfer 6 en de twee zakken aan de andere langsrand beide met verwijzingscijfers 6’onderstreept dat de steller van de oorspronkelijke octrooiaanvrage niet een zelfstandig tweevoud van zakken per langsrand voor ogen had. Gelet op dit een en ander heeft de rechtbank de argumenten (i) en (ii) van Vermop terecht en op de juiste feitelijke gronden verworpen. Nu toepassing van het ‘tweevoud van zakken’ als zelfstandige maatregel derhalve niet direct en ondubbelzinnig kan worden afgeleid uit de oorspronkelijke aanvrage, vormt de opname daarvan in de gewijzigde conclusie 13 een ongeoorloofde toevoeging van materie. Reeds hierop stuiten de onder 5.5 vermelde grieven van Vermop af.
intermediate generalization’, waarmee wordt gedoeld op de situatie dat een bepaald kenmerk uit (bijvoorbeeld) een bepaalde uitvoeringsvorm buiten de oorspronkelijke context wordt veralgemeniseerd. Voor zover al geopenbaard in UV-1 is het kenmerk ‘tweevoud van zakken’ immers zo nauw verbonden met de uitsparingen die slechts in die uitvoeringsvorm voorkomen dat het in ieder geval niet (voldoende) geopenbaard is voor de andere uitvoeringsvorm (UV-2).
twee materiaaldelen (2a, 2b) met een verschillende geaardheid’ toe te passen, ‘
die naar keuze met het te reinigen vlak in contact gebracht kunnen worden, bij voorkeur met een langsscheidingslijn (T) aangrenzend aan een langsrand respectievelijk de langsas (L) van het frame (1)’
.Volgens Vermop worden in de Hygen-promotiefilm mophoezen getoond die uit verschillend materiaaldelen voor de onder- en bovenkant bestaan (in dubbelgevouwen toestand) en vallen deze mophoezen dus binnen de beschermingsomvang van conclusie 15 van EP 903 (zie o.m. punt 99 van de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie in de VRO-bodemprocedure). Dit is door NR niet (voldoende) gemotiveerd/niet (voldoende) duidelijk betwist.
naar keuze met het te reinigen vlak in contact kunnen worden gebracht’ zo moet worden opgevat dat de mophoes wordt toegepast om twee kanten beurtelings (en dus naar keuze) te gebruiken, is van belang dat de oorspronkelijke aanvrage uitsluitend een mophouder beschrijft die dubbel geklapt kan worden (om twee kanten van de mophoes te kunnen gebruiken) door middel van een scharnierplaatdeel. Dit betekent dat de maatregelen in de aanhef van conclusie 15 materie toevoegen voor zover daarin niet besloten ligt dat de daarin vermelde mophouder een scharnierplaatdeel heeft (de eerste tand). Wanneer daarin wel besloten ligt dat die mophouder een scharnierplaatdeel heeft, dan wordt door NR geen inbreuk gepleegd, omdat haar mophoezen niet worden verkocht voor toepassing op een mophouder met een scharnierplaatdeel die in NR’s eigen mophouder immers niet voorkomt (de tweede tand). In de punt 4 en 5 van haar akte na pleidooi in de eerste aanleg en onder 93 MvG-B heeft Vermop er terecht op gewezen dat het toegevoegde materie-bezwaar van NR niet ziet op (een) (con)tekstuele wijziging(en) van conclusie 15 ten opzichte van de oorspronkelijke aanvrage, maar louter op de uitleg van die conclusie. Dit kan, zoals Vermop eveneens terecht heeft opgemerkt, geen toegevoegde materie opleveren. De eerste tand van NR’s ‘tweetand-redenering’ is hiermee ontkracht. Ook de tweede tand daarvan faalt. Naar blijkt uit de woorden ‘
in het bijzonder’ in de aanhef van conclusie 15, is de daarin neergelegde uitvinding niet beperkt tot een mophoes die wordt gebruikt voor een mophouder met een scharnierplaatdeel, maar is voldoende dat zij daarvoor geschikt is (zie ook punt 7 van Vermop’s zojuist genoemde akte). Dat de Hygen-mophoezen ongeschikt zouden zijn om te worden gebruikt op een mophouder met scharnierplaatdeel, is door NR niet gesteld. Kortom: de ‘tweetand-redenering’ van NR – waarop zij in hoger beroep ook niet meer is teruggekomen – gaat niet op.
backing 30’, die zakken 34 bevat om de zijkanten van het frame van de mophouder te ontvangen, en:
strand base 40’, die is opgebouwd uit een ‘
fringe of individual fiber strands’/katoenstrengen.
stitching
fringe of strands’.
padded section’/opgebold gedeelte 47 ontstaat. In Strauss staat hierover (in kolom 5, r. 57-62) het volgende vermeld:
(…) this padded section is directly underneath the frame wire 24 and, accordingly, it may be pressed against a floor surface. This permits the mop to be used for rubbing or scouring when necessary, to loosen dirt sticking to the floor or remove a stain such as a heel mark’.
[0018] De mopbekleding volgens de uitvinding kan verder uit twee verschillende materialen zodanig zijn samengevoegd, dat het wisvlak van de ene klapvleugel aan de buitenzijde met het ene materiaal en het wisvlak van de andere klapvleugel aan de buitenzijde met het andere materiaal is bedekt, wanneer de mopbekleding op de mophouder is getrokken. Op deze wijze kan de mopbekleding bijvoorbeeld voor het schrobben of voorbewerken (met relatief grof materiaal) en nawissen respectievelijk drogen (met relatief zacht absorberend materiaal) worden gebruikt. Het ene functiebereik dient daarbij voor het losmaken van grof vuil van het bodemvlak, het andere functiebereik voor de opname van vuil en water.’;
verschillende materialen’ in § 0018, blijkt dat – zoals Vermop heeft aangevoerd (punt 97 MvG-B en punt 29 PA) – de zinsnede ‘
twee materiaaldelen (2a, 2b) met een verschillende geaardheid’ in conclusie 15 aldus moet worden verstaan dat wanneer de mophoes op de mophouder is getrokken (dat is: in opgevouwen toestand, zie rov. 4.4
in fine) twee verschillende materialen worden gebruikt op het wisvlak van de ene klapvleugel (de bovenkant) en op het wisvlak van de andere klapvleugel (de onderkant). Vermop heeft verder terecht opgemerkt dat in Strauss geen sprake is van twee verschillende materialen; zowel het normale oppervlak als het opgebolde gedeelte in Strauss bestaan uit katoenstrengen. Ook het – anders dan NR stelt: technische – kenmerk van conclusie 15 van EP 903, dat de materiaaldelen ‘
naar keuze met het te reinigen vlak in contact gebracht kunnen worden’ is niet in Strauss geopenbaard. Het opgebolde gedeelte in Strauss kan immers niet met de te reinigen vloer in contact worden gebracht zonder dat ook het normale materiaaloppervlak de vloer raakt. Strauss is, zo moet worden geconcludeerd, niet nieuwheidschadelijk voor conclusie 15 van EP 903.
Referring to Figure 1 the mop comprises a handle 1 and a head 2 having a slot 3. The head 2 may be reversible, as for example to provide a polishing surface in one attitude and scrubbing surface in the other one’.
reversible’) kop – hierna kortweg: omklapbare mop – waarbij aan iedere kant van de kop een ander materiaal kan worden aangebracht.
naar keuze met het te reinigen vlak in contact kunnen worden gebracht’ impliceert dat de daarin geoctrooieerde mophoes in opgevouwen toestand dubbelzijdig kan worden gebruikt (zie met name § 0018 van het octrooischrift, geciteerd in rov. 6.8). De in rov. 6.2 besproken ‘tweetand-redenering’ van NR berust hierop. Onder 6.8 is al overwogen dat Strauss de zojuist genoemde, cursief weergegeven maatregel niet openbaart aangezien het opgebolde gedeelte in Strauss niet met de te reinigen vloer in contact kan worden gebracht zonder dat ook het normale materiaaloppervlak de vloer raakt. Dit komt doordat het opgebolde gedeelte en het normale materiaaloppervlak zich aan dezelfde zijde (de onderkant) van de Strauss-mophoes bevinden (vgl. MvG-B onder 98). Strauss bevat dus geen enkele aanwijzing in de richting van een mophoes die dubbelzijdig kan worden gebruikt en evenmin een aanwijzing in de richting van het gebruik van een mophoes op een omklapbare mop. Zulke aanwijzingen ontleent de gemiddelde vakman ook niet aan zijn algemene vakkennis. Hieruit volgt in de eerste plaats dat de mophoes volgens conclusie 15 van EP 903 inventief is ten opzichte van Strauss, en in de tweede plaats dat er voor de gemiddelde vakman die begon bij Strauss, geen enkele aanleiding bestond om te rade te gaan bij Smith. Daarvoor zou hij immers eerst de inventieve stap hebben moeten zetten om vanuit Strauss tot een omklapbare mop te komen. Gelet op dit een en ander kan NR’s beroep op gemis aan inventiviteit niet worden aanvaard.
onderhavige appel’ (punt 50 PA Vermop) over en weer
onderhavige appel’ ook het appel in het kort geding is begrepen. Namens beide partijen is bij pleidooi in hoger beroep (buiten de PA’s om) verklaard dat tussen hen tevens is overeengekomen om hierbij het ‘
winner takes it all’-principe te hanteren, dat wil zeggen dat Vermop (volledig) wint als enige inbreuk wordt aangenomen en dat NR (volledig) wint als dat niet het geval is. Nu inbreuk op conclusie 15 is aangenomen, zal NR worden veroordeeld in de op het bedrag van € 105.000,- te begroten kosten van het hoger beroep in alle procedures.
winner takes it all’-afspraak ook was gemaakt voor de bodemprocedures in de eerste aanleg en dat is afgesproken dat de artikel 1019h-kosten daarvoor € 80.000,- bedroegen. Nu inbreuk op conclusie 15 is aangenomen, zal NR worden veroordeeld in de op het bedrag van € 80.000,- te begroten kosten van de bodemprocedures in de eerste aanleg.
winner takes it all’-afspraak is gemaakt voor het kort geding in de eerste aanleg. Omdat partijen in de eerste aanleg in het kort geding beide gedeeltelijk in het ongelijk hadden moeten zijn gesteld (zie rov. 7.2), zullen de in de eerste aanleg daarvoor gemaakte kosten alsnog worden gecompenseerd. Het kort geding vonnis zal op – alleen (zie rov. 7.2
in fine) – dit punt worden vernietigd.
in fine) voor toewijzing vatbaar zijn.
Beslissing
Geachte ... [volgt naam geadresseerde],