Uitspraak
1.Het beklag
[namen beklaagden], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van valsheid in geschrift in vereniging gepleegd.
Gerechtshof Den Haag
Klager heeft een beklag ingediend tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie om geen vervolging in te stellen tegen leden van de wrakingskamer wegens vermeende valsheid in geschrift.
Het hof heeft het dossier bestudeerd en geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de wrakingsbeslissing valselijk is opgemaakt of vervalst, zoals bedoeld in artikel 225 Sr Pro. Het feit dat klager het niet eens is met de wrakingsbeslissing vormt geen grond voor valsheid in geschrift.
Ook de suggestie dat de wrakingskamer onjuist zou hebben gereageerd op het beroep op artikel 53 EVRM Pro wordt door het hof niet als opzettelijke vervalsing gezien. Het hof acht de sepotbeslissing van de hoofdofficier van justitie dan ook terecht en wijst het beklag af.
De beslissing is genomen zonder nader onderzoek of oproeping van betrokkenen, conform artikel 12c Sv. Het beklag wordt als kennelijk ongegrond verklaard, waarmee de procedure wordt afgesloten.
Uitkomst: Het hof verklaart het beklag ongegrond en bevestigt dat geen sprake is van strafbare valsheid in geschrift.