Belanghebbende heeft participaties in teakboomplantages in Brazilië en Costa Rica gekocht en deze in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgegeven. De Inspecteur heeft de waarde van deze participaties vastgesteld en een navorderingsaanslag opgelegd voor 2007 vanwege het niet aangeven van deze participaties.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde van de participaties nihil is en dat hij recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Het Hof heeft overwogen dat de waarde van de participaties door de Inspecteur terecht is vastgesteld op basis van door belanghebbende zelf verstrekte gegevens en dat belanghebbende onvoldoende feiten heeft gesteld om een lagere waarde aannemelijk te maken.
Daarnaast oordeelde het Hof dat de participaties niet kwalificeren als onroerende zaken of rechten daarop, waardoor een beroep op het belastingverdrag met Brazilië niet slaagt. Voor de participaties in Costa Rica, waar geen verdrag bestaat, is geen bewijs geleverd van buitenlandse belastingheffing, zodat ook daar geen aftrek kan worden verleend.
Het Hof verwierp voorts het beroep op de Grondwet en de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de forfaitaire rendementsheffing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.