ECLI:NL:GHDHA:2014:2985

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2014
Publicatiedatum
12 september 2014
Zaaknummer
10-960014-13
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 406 lid 2 SvArt. 138 Wetboek van StrafvorderingArt. 87 lid 1 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen schorsing voorlopige hechtenis

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 11 september 2014 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep dat door het Openbaar Ministerie was ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had tijdens de terechtzitting het verzoek van de verdachte tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen. Het hof oordeelde dat deze beslissing een uitspraak in de zin van artikel 138 Wetboek Pro van Strafvordering is, omdat deze ter terechtzitting is gegeven en niet als beschikking kan worden aangemerkt.

Het hof verwees naar artikel 406 Wetboek Pro van Strafvordering, waarin de mogelijkheden voor tussentijds hoger beroep tegen tussenuitspraak zijn limitatief opgesomd. Beslissingen over schorsing van voorlopige hechtenis worden hierin niet genoemd en vallen daarom niet onder de uitzonderingen die tussentijds hoger beroep toestaan. Ook artikel 87 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering, dat beroepsmogelijkheden tegen beschikkingen tot schorsing regelt, is niet van toepassing op een uitspraak van de rechtbank ter terechtzitting.

Op grond van deze overwegingen verklaarde het hof het hoger beroep van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. Daarmee blijft de beslissing van de rechtbank tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte in stand. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Duindam, van Walderveen en de Wild, en griffier Looye - van Tol.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Gezien de akte van de griffier van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2014 waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen
[naam]
geboren op [datum] te [plaats}
[adres]
hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing d.d. 5 augustus 2014 van de rechtbank Rotterdam
houdende toewijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis door de meervoudige kamer.
Gezien de beslissing waarvan beroep.
Gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door diens raadsman, mr. H. Raza.
Het hof overweegt als volgt:
De rechtbank heeft – nadat met het uitroepen der zaak het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen – ter zitting besloten het door verdachte gedane schorsingsverzoek toe te wijzen.
De beslissing is geen beschikking, nu onder beschikkingen blijkens artikel 138 Wetboek Pro van Strafvordering de niet op de terechtzitting gegeven beslissingen wordt verstaan, terwijl de onderhavige beslissing nu juist wel ter terechtzitting is gegeven: het betreft hier derhalve een uitspraak in de zin van artikel 138 Wetboek Pro van Strafvordering.
Deze typering als uitspraak betekent dat de beslissing valt onder het stelsel van artikel 406 eerste Pro en tweede lid Wetboek van Strafvordering:
Die regeling houdt in dat in beginsel tegen tussen-uitspraken uitsluitend gelijktijdig hoger beroep kan worden ingesteld met het beroep tegen de einduitspraak.
Op deze stelregel worden in het tweede lid drie uitzonderingen geformuleerd:
Er kan wél tussentijds appel worden ingesteld
  • tegen een bevel tot gevangenhouding
  • tegen een bevel tot gevangenneming
  • en tegen de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming
Deze opsomming is limitatief bedoeld. Dat blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 april 2013.
Een beslissing met betrekking tot de schorsing wordt hier niet genoemd en valt dus ook niet binnen de regeling van artikel 406 Strafvordering Pro.
Artikel 87 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering waarin de officier van justitie een beroepsmogelijkheid wordt toegekend tegen de beschikkingen van de Rechter-Commissaris of van de rechtbank tot schorsing of tot wijziging van een beslissing tot schorsing ziet niet op een door de rechtbank op zitting genomen uitspraak als hiervoor bedoeld.
Het Openbaar Ministerie moet gelet hierop niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
Beslissende:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gedaan op 11 september 2014
door mr. R.C.A. Duindam, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. A.H. de Wild, raadsheren, in tegenwoordigheid van E. Looye - van Tol, griffier, en door de voorzitter en griffier ondertekend.