Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
BESCHIKKING
[naam verzoeker],
2 x € 105,-,derhalve in totaal een bedrag van
Gerechtshof Den Haag
Verzoeker heeft in zijn strafzaak van 3 tot 5 mei 2009 in verzekering doorgebracht. Op 26 augustus 2009 ontving hij een sepotbeslissing van de officier van justitie waarin werd meegedeeld dat hij niet verder vervolgd zou worden wegens onvoldoende bewijs.
Verzoeker diende op 10 december 2009 een verzoek in tot vergoeding van immateriële schade van €210 vanwege de door hem ondergane voorlopige hechtenis. De rechtbank Rotterdam verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het verzoek niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de zaak was ingediend, ervan uitgaande dat verzoeker tijdig kennis had genomen van de sepotbeslissing.
Het hof oordeelt dat niet is aangetoond dat verzoeker daadwerkelijk vóór 10 december 2009 van de sepotbeslissing op de hoogte was, ondanks dat de kennisgeving naar het juiste adres was gestuurd. Hierdoor is de termijn van drie maanden niet overschreden en is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek toe. Op grond van billijkheid wordt aan verzoeker een schadevergoeding van €210 toegekend voor de twee dagen voorlopige hechtenis, tegen een vergoeding van €105 per dag.
De beschikking is uitgesproken door het hof Den Haag op 10 april 2014.
Uitkomst: Het hof kent een schadevergoeding van €210 toe wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis.