Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
BESCHIKKING
[naam verzoeker],
€ 1.983,17.
Gerechtshof Den Haag
Verzoeker werd in eerste aanleg gedagvaard, maar de officier van justitie trok de dagvaarding in en seponerde de zaak bij brief van 24 oktober 2011. Verzoeker vroeg vervolgens een vergoeding voor kosten rechtsbijstand op grond van artikel 591a Sv, maar de rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat het verzoek te laat was ingediend.
Het hof oordeelde dat de termijn van drie maanden waarbinnen het verzoek moest worden ingediend pas begint te lopen vanaf het moment dat de verdachte kennis heeft genomen van het einde van de zaak. Er was onvoldoende bewijs dat verzoeker vóór 23 januari 2012 op de hoogte was van de sepotbeslissing van 24 oktober 2011.
Daarom was het verzoekschrift, ingediend op 25 januari 2012, tijdig. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek toe, waarbij een vergoeding van € 1.983,17 werd toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de procedure.
Uitkomst: Het hof kent verzoeker een vergoeding van € 1.983,17 toe wegens kosten rechtsbijstand omdat het verzoek tijdig was ingediend.