Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 juni 2014
[appellant],
Deutsche Bank Nederland N.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
overalverblijft; in de ogen van de Banken maakt hem dat ongrijpbaar.
Gerechtshof Den Haag
Het gerechtshof Den Haag heeft het hoger beroep van appellant tegen het faillissementsvonnis van de rechtbank verworpen. De kernvraag was of de Nederlandse rechter bevoegd was het faillissement uit te spreken op grond van het centrum van voornaamste belangen (COMI).
Appellant, woonachtig in Spanje, voerde aan dat zijn belangen elders lagen, maar het hof stelde vast dat hij nog steeds substantieel zakelijke en economische belangen in Nederland had. Zo was hij verbonden aan Nederlandse vennootschappen, beschikte hij over een omvangrijke administratie in Nederland, en gebruikte hij Nederlandse correspondentieadressen.
De curator en de banken stelden dat appellant zich borg had gesteld voor Nederlandse kredieten en dat zijn schulden uitsluitend in Nederland waren gevestigd. Het hof concludeerde dat appellant het beheer van zijn belangen gewoonlijk vanuit Nederland voert, waardoor het centrum van voornaamste belangen in Nederland ligt.
Daarmee is de Nederlandse rechter bevoegd en wordt het faillissement bekrachtigd. Dit draagt bij aan een efficiënte afwikkeling van de insolventieprocedure, mede omdat relevante documenten in het Nederlands zijn opgesteld.
Uitkomst: Het hof bevestigt het faillissement omdat het centrum van voornaamste belangen van appellant in Nederland is gelegen.