De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met het importeren, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van softdrugs binnen Nederland. Het hof nam het bewijs over uit eerdere procedures en hield rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De straf werd bepaald op basis van de omvang van de betrokkenheid van de verdachte bij de drugshandel, de risico's voor de volksgezondheid en de maatschappelijke schade. Daarnaast werd meegewogen dat de verdachte geen rekening hield met de kwalijke gevolgen van zijn handelen en dat zijn activiteiten ook andere vormen van criminaliteit en overlast in de hand werkten.
Het hof achtte een gevangenisstraf van vier jaar en tien maanden passend, maar bracht vanwege een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de ouderdom van de feiten een vermindering van twee jaar en vijf maanden in mindering. Ook de slechte gezondheid van de verdachte en het ontbreken van recidive werden meegewogen. Uiteindelijk werd een gevangenisstraf opgelegd gelijk aan de duur van het voorarrest, namelijk 486 dagen.
De procedure kende een lange geschiedenis met meerdere zittingen en een vernietiging door de Hoge Raad, waarna het hof de strafoplegging opnieuw behandelde. De uitspraak werd gedaan op 4 februari 2014 door het Gerechtshof Den Haag.