De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het gebruik van softdrugs in het openbaar, maar het Openbaar Ministerie ging hiertegen in hoger beroep. Het hof oordeelde dat het blowen van een joint op de openbare weg in Rotterdam wettig en overtuigend bewezen is en dat dit strafbaar is op grond van artikel 3.3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008.
Het hof onderzocht de bevoegdheid om over de verbindendheid van deze APV-bepaling te oordelen en stelde vast dat deze bevoegdheid bij het hof ligt. Tevens werd vastgesteld dat het gebruik van softdrugs het aanwezig hebben ervan impliceert, waardoor het verbod in de APV aanvullend is op de Opiumwet en gericht is op het motief van openbare orde in tegenstelling tot de volksgezondheid bij de Opiumwet.
De verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €105, waarbij rekening is gehouden met de ernst van het feit, de overlast voor het publiek en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en sprak het vonnis uit op 6 februari 2014.