ECLI:NL:GHDHA:2014:2019

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2014
Publicatiedatum
18 juni 2014
Zaaknummer
2200077214
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 260 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens ontbreken schriftelijke vertaling dagvaarding en terugverwijzing naar politierechter

In deze strafzaak stond de geldigheid van de inleidende dagvaarding centraal. De verdachte, die de Nederlandse taal niet voldoende machtig was, had geen schriftelijke vertaling of schriftelijke mededeling ontvangen zoals vereist volgens artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering. Hoewel de dagvaarding mondeling door een tolk was vertaald, voldeed dit niet aan de wettelijke eisen.

De verdediging stelde dat dit verzuim leidde tot nietigheid van de dagvaarding, maar het hof oordeelde dat het hier niet ging om een formele nietigheid en dat het verzuim hersteld kon worden. Het Openbaar Ministerie diende de gelegenheid te krijgen om alsnog een schriftelijke vertaling of mededeling te verstrekken.

De advocaat-generaal stelde dat de verdachte niet in zijn belangen was geschaad omdat hij de tenlastelegging begreep, maar het hof verwierp dit standpunt vanwege de wettelijke eis van schriftelijkheid en de meerwaarde daarvan boven mondelinge vertaling.

Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en verwees de zaak terug naar de politierechter in Rotterdam met de opdracht om met inachtneming van dit arrest opnieuw recht te doen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar de politierechter voor nieuwe behandeling met schriftelijke vertaling van de dagvaarding.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000772-14
Parketnummer: 10-681031-14
Datum uitspraak: 19 juni 2014
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam],
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1994,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 mei 2014 en 5 juni 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de dagvaarding nietig verklaard.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de inleidende dagvaarding geldig zal worden verklaard en dat de zaak zal worden teruggewezen naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Artikel 260, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling wordt gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen bedoeld in het derde lid, tweede volzin en het vierde lid.
In de onderhavige zaak is de verdachte de Nederlandse taal niet, althans onvoldoende machtig. Een schriftelijke vertaling van de dagvaarding of schriftelijke mededeling als hiervoor bedoeld, is hem echter niet verstrekt. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat aldus niet is voldaan aan het in voornoemd artikel bepaalde.
Door de verdediging is bepleit dat dit verzuim tot nietig verklaring van de dagvaarding moet leiden.
Het gaat echter niet om een verzuim dat volgens de wet met nietigheid is bedreigd (geen formele nietigheid). Het betreft ook geen onherstelbaar verzuim, maar een verzuim dat nog hersteld kan worden. Daartoe dient het Openbaar Ministerie dan ook in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld. Dit betekent dat het onderzoek ter terechtzitting zou moeten worden geschorst opdat aan de verdachte alsnog een vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 260, vijfde lid Sv wordt gedaan.
De advocaat-generaal heeft zich nog op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door het verzuim is geschaad. De dagvaarding is immers op het politiebureau door een tolk vertaald, een tolk ter terechtzitting kan ook de tenlastelegging vertalen en het gaat om relatief eenvoudige feiten, terwijl uit de verhoren bij de politie blijkt dat de verdachte wist waarvan hij werd verdacht. Volgens de advocaat-generaal had de zaak dan ook (naar het hof begrijpt: door de politierechter) zonder aanhouding van de behandeling kunnen worden afgedaan, zo nodig door alsnog ter zitting de tenlastelegging door een tolk te laten vertalen.
Dit standpunt van de advocaat-generaal is onjuist, reeds omdat een schriftelijke vertaling of een schriftelijke mededeling een meerwaarde heeft, vergeleken met een mondelinge vertaling of vertolking. Uit de geschiedenis van de Wet vertolking en vertaling in strafprocedures, waarin onder meer artikel 260 lid 5 Sv Pro is opgenomen, blijkt dat de wetgever bewust heeft bepaald dat de vertaling of mededeling schriftelijk moet worden verstrekt.
Het vorengaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd. Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dit uitdrukkelijk heeft verlangd, zal het hof de zaak terugverwijzen naar de politierechter ter afdoening met inachtneming van het hiervoor bepaalde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst de zaak terugnaar de politierechter in de rechtbank Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,
mr. P.C. Römer en mr. E.C. van Veen, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juni 2014.