ECLI:NL:GHDHA:2014:2
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over schending voorkeursrecht huurder winkelruimte
In deze zaak stond centraal of de verhuurder het voorkeursrecht van de huurder op de koop van een winkelruimte had geschonden. De huurder had een huurovereenkomst met een voorkeursrecht van koop en stelde dat de verhuurder het pand had verkocht zonder haar dit recht correct aan te bieden.
De verhuurder verkocht de winkelruimte samen met twee andere panden via een ABC-constructie aan een derde partij. De huurder stelde dat de verkoopprijs van de winkelruimte lager was dan aan haar was aangeboden, en dat zij daardoor schade had geleden omdat zij de huur had opgezegd en haar bedrijf had beëindigd.
De kantonrechter wees de vorderingen af, en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat uit de akte en getuigenverklaringen niet blijkt dat het voorkeursrecht is geschonden. Bovendien is niet aannemelijk dat de huurder door de vermeende schending genoodzaakt was de exploitatie te staken, mede omdat koop de huur niet breekt en renovatie met huurverhoging niet zomaar kan worden afgedwongen.
De vorderingen tot schadevergoeding en verklaring voor recht werden daarom afgewezen, en de huurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van de huurder af wegens onvoldoende bewijs van schending voorkeursrecht en gebrek aan causaal verband met schade.