Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- vaststaat dat de verdeling louter heeft plaatsgevonden met het doel de transactie tussen geïntimeerde en [een derde] mogelijk te maken;
- eveneens staat vast dat indien de transactie tussen geïntimeerde en [een derde] geen doorgang zou vinden, de verdeling evenmin zou plaatsvinden;
- het akkoord van appellant met de verdeling is dan ook een voorwaardelijk akkoord, dat wil zeggen dat de verdeling plaatsvindt onder de (opschortende) voorwaarde dat de te verdelen percelen zouden worden verkocht;
- men moet de beide transacties, te weten de verdeling tussen partijen en de verkoop/levering aan [een derde], dan ook als een geheel zien. Dat de transacties in goederenrechtelijke zin niet op exact hetzelfde moment kunnen plaatsvinden, doet daaraan niet af;
- waar geïntimeerde heeft gesteld dat eind december 2007 nog niet bekend was welke prijs[een derde] bereid was te betalen voor de percelen en/of de zich daarop bevindende opstallen, wordt dit door appellant betwist;
- vastgesteld moet dan ook worden dat geïntimeerde ten tijde van de verdeling, althans ten tijde van het in vervulling gaan van de voorwaarde waaronder appellant met die verdeling akkoord is gegaan, heeft geweten, althans mocht verwachten, dat [een derde] voor de te verdelen zaken die prijs zou betalen die hij daarvoor ook betaald heeft.
“Bij niet doorgaan van de koop met [een derde] gaat deze verkoop niet door. Ondergetekende, [de man], gaat akkoord met bovenstaande verkoop.”. De in de kantlijn opgenomen tekst van de conceptakte is niet opgenomen in de definitieve leveringsakte. In de visie van geïntimeerde was er sprake van een ontbindende voorwaarde en niet van een opschortende voorwaarde.