Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- krachtens artikel 1:93 BW Pro bestaat tussen echtgenoten vanaf de voltrekking van het huwelijk van rechtswege een algehele gemeenschap van goederen, voor zover daarvan bij huwelijkse voorwaarden niet is afgeweken;
- de huwelijksgemeenschap duurt voort totdat deze wordt ontbonden door een van de in artikel 1:99 BW Pro limitatief opgesomde gronden;
- alvorens tot verdeling van de tot de ontboden gemeenschap behorende goederen over te gaan, dient te worden vastgesteld welke goederen tot die gemeenschap behoren en wat de waarde daarvan is;
- de rechtbank heeft het criterium voor de vraag wat de peildatum voor de waardering van de ontbonden gemeenschap is, toegepast op de vraag tegen welke datum de samenstelling van de gemeenschap dient te worden bepaald, althans zij heeft het criterium tevens van toepassing verklaard op de omvangsdatum;
- voor zover de rechtbank zou hebben bedoeld dat de redelijkheid en de billijkheid aanleiding zouden zijn om af te wijken van een verdeling bij helfte van de gemeenschap, merkt appellant op dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft gehecht aan de omstandigheid dat [erflaatster] en geïntimeerde jarenlang geen uitvoering hebben gegeven aan de verplichtingen die de wet in boek 1 titel 6 BW aan het huwelijk verbindt;
- vaste lijn in de jurisprudentie is dat van de hoofdregel, verdeling bij helfte, slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken;
- in het onderhavige geval is er echter niets anders gaande dan dat geïntimeerde en [erflaatster] na het feitelijk uiteengaan nooit in echt van elkaar zijn gescheiden, zodat de huwelijksgemeenschap is blijven bestaan;
- de door geïntimeerde aangevoerde omstandigheid om af te wijken van de hoofdregel is geen uitzonderlijke omstandigheid;
- [erflaatster] heeft altijd gehoopt dat geïntimeerde bij haar terug zou komen.
- dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld, dat op grond van de redelijkheid en billijkheid kan worden afgeweken van de peildatum voor wat betreft de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap;
- het staat partijen vrij om afspraken te maken over de peildatum voor wat betreft de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap;
- in 1975 hebben zij hun gemeenschappelijke vermogensbestanddelen per de datum waarop zij feitelijk uit elkaar gingen verdeeld;
- [erflaatster] en appellant hebben 36 jaar lang in overeenstemming met de door hen stilzwijgend gemaakte afspraak met betrekking tot de peildatum geleefd;
- door [erflaatster] is nooit enige aanspraak gemaakt op het inkomen of het vermogen van geïntimeerde;
- in de visie van geïntimeerde zou een verdeling bij helfte van het op de sterfdatum van [erflaatster] aanwezige wederzijdse vermogen apert onredelijk zijn en in strijd met de bedoeling van [erflaatster] en geïntimeerde zijn als ook met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen geïntimeerde en [erflaatster] als ex-echtgenoten beheerst;
- appellant benadrukt dat partijen zich ervan bewust waren dat zij nog waren gehuwd. Dit moge wellicht zo zijn doch het enkele feit dat je nog gehuwd bent staat er niet aan in de weg dat je stilzwijgend afspraken maakt over de verdeling en peildatum, aldus geïntimeerde.
- geïntimeerde heeft recht en belang bij een verzorgingsvruchtgebruik op goederen en banksaldi;
- de erfgenamen zijn verplicht mee te werken aan de vestiging van een vruchtgebruik op de woning en de inboedel;
- bij artikel 4:30 BW Pro moet de verzorgingsbehoefte van de langstlevende worden bewezen;
- geïntimeerde heeft de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt;
- als hij zijn pensioengeld kwijt raakt kan hij zijn vast lasten niet meer betalen;
- de werkplaats heeft hij nodig voor zijn werk;
- de werkrekening gebruikt hij voor de dagelijkse gang van zaken in zijn bedrijfje.
- enkel in het geval van toedeling van de woning of een aandeel daarin aan appellant, ontstaat er een mogelijkheid van het vestigen van een recht van vruchtgebruik op de woning. Ten aanzien van het verzoek tot medewerking aan vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik ex artikel 4:30 BW Pro op de bankrekening en bedrijfspand geldt hetzelfde. Met andere worden: eerst dient te worden vastgesteld wat tot de nalatenschap van [erflaatster] behoort;
- zolang de huwelijksgemeenschap van geïntimeerde met [erflaatster] niet is verdeeld kan onmogelijk worden vastgesteld of geïntimeerde al dan niet behoefte heeft aan vestiging van een vruchtgebruik;
- ten aanzien van de verzorgingsbehoefte is in de parlementaire geschiedenis bepaald dat de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken op een passende voorziening, doch dat dit niet hetzelfde is als een aanspraak om onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen voort te zetten;
- in de onderhavige zaak bedraagt de waarde van de huwelijksgemeenschap die verdeelt dient te worden ongeveer € 800.000;
- bij verdeling bij helfte heeft appellant de beschikking over een aanzienlijk vermogen. Dit vermogen moet voldoende zijn om in het levensonderhoud te kunnen voorzien;
- voor de vraag of geïntimeerde behoefte heeft aan de door hem verzochte vruchtgebruiken is allereerst van belang dat hij – in verband met het vruchtgebruik uit hoofde van artikel 4:30 BW Pro - op geen enkele wijze hiervoor een onderbouwing heeft gegeven. Geïntimeerde heeft geen inzicht gegeven in zijn inkomsten en de inkomsten van zijn partner noch heeft hij inzicht gegeven in zijn lasten.