Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Rolnummers hoofdzaak : 22-000888-12 (verzoeker 1) en 22-000884-12 (verzoeker 2)
[verzoeker 1],
[verzoeker 2],
raadsman mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam.
Gerechtshof Den Haag
In de strafzaken tegen twee verdachten diende het Gerechtshof Den Haag een wrakingsverzoek tegen drie raadsheren die betrokken waren bij de behandeling van de zaken. De verzoekers stelden dat de raadsheren niet onbevangen konden oordelen vanwege hun werkzaamheden in het gebouw waar de beschadigingen plaatsvonden en eerdere betrokkenheid bij zaken van een van de verzoekers.
De wrakingskamer behandelde het verzoek in meerdere zittingen, waarbij de raadsheren en de advocaat-generaal hun standpunten toelichtten. De wrakingsgronden betroffen voornamelijk vermeende schijn van partijdigheid door de betrokkenheid bij het gebouw en eerdere rechterlijke beslissingen. De kamer concludeerde dat deze gronden onvoldoende waren om de onpartijdigheid van de rechters te betwijfelen.
De kamer wees ook op het ontbreken van specifieke feiten die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid zouden vormen. Tevens werd vastgesteld dat het verzoek misbruik van recht betrof vanwege de veelheid en inhoud van de wrakingsverzoeken. Daarom werd niet alleen het verzoek afgewezen, maar ook bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze strafzaken niet in behandeling worden genomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en toekomstige wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.