ECLI:NL:GHDHA:2013:CA4012
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Kamminga
- Luckers
- Stollenwerck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verzwijging bankrekening en schenkingen in nalatenschap
In deze zaak staat centraal de omvang van de geldvordering van de broer in de nalatenschap van zijn vader. Het hof heeft vastgesteld dat de weduwe, die in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met de erflater, een bankrekening bij de Generale Bank te Merksplas en een derde geldbron heeft verzwegen bij de boedelbeschrijving. Dit leidt tot toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW Pro (voorheen 4:1110 BW oud), waardoor de weduwe haar aandeel in deze gelden verbeurt aan de andere erfgenamen.
De weduwe heeft na het overlijden van de erflater schenkingen van elk f 100.000,- aan de zussen gedaan. Het hof oordeelt dat deze schenkingen uit de verzwegen gelden afkomstig zijn en dat de geïntimeerden niet hebben voldaan aan het bevel om relevante bescheiden te overleggen. De broer heeft derhalve recht op een deel van deze gelden, die worden verdeeld onder de erfgenamen.
Daarnaast is vastgesteld dat de waarde van zilveren beeldjes die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden, moet worden toegerekend aan de nalatenschap. De vordering van de broer op dit punt wordt deels toegewezen. Het hof wijst het bestreden vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigend en compenseert de proceskosten gezien de familieverhouding.
Uitkomst: De vordering van de broer wordt deels toegewezen wegens verzwijging van banktegoeden door de weduwe, met vernietiging van het bestreden vonnis.