ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9932
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Mink
- Van Kempen
- Punselie
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep voogdij minderjarige na Poolse voogdijbeslissing
In deze voogdijzaak stond centraal of de Nederlandse raad voor de kinderbescherming ontvankelijk was in haar verzoek om Jeugdzorg te belasten met de voogdij over een minderjarige. De grootmoeder was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die Jeugdzorg tot voogd had benoemd.
Uit het dossier en de stukken bleek dat de Poolse rechter al op 3 april 2012 de grootvader als voogd had benoemd en later, op 24 mei 2012, de overgrootmoeder als voogd had aangewezen. De moeder en de minderjarige verbleven inmiddels in Polen. Het hof oordeelde dat er op het moment van het Nederlandse verzoek geen gezagsvacuüm bestond omdat de voogdij reeds rechtsgeldig in Polen was geregeld.
De grootmoeder trok haar verzoek om zelf als voogd te worden benoemd in, mede gezien de praktische uitoefening van de voogdij in Polen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en verklaarde de raad niet-ontvankelijk in haar verzoek. Het hoger beroep van de grootmoeder werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof verklaart de raad niet-ontvankelijk en wijst het hoger beroep van de grootmoeder af.