ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6927
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- mrs. Kamminga
- van Nievelt
- van Kempen
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens contra-indicaties
In deze zaak staat de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kind centraal. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om het omgangsrecht aan de vader te ontzeggen, omdat hij kennelijk ongeschikt en niet in staat wordt geacht tot omgang. Dit advies is gebaseerd op factoren zoals onbehandelde verslavingsproblematiek, gebrek aan stabiele huisvesting en inkomsten, en een beperkt introspectief vermogen.
De vader betwist dit advies en wenst dat de omgang via het Omgangshuis wordt opgestart. Hij erkent zijn verleden met alcohol en drugsgebruik, maar stelt dat hij hiermee gestopt is en momenteel bezig is met het verkrijgen van een vaste woon- en werksituatie. De moeder onderschrijft het advies van de raad en verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:377a BW een minderjarige en de niet met gezag belaste ouder recht hebben op omgang, tenzij dit in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Gezien de contra-indicaties en het ontbreken van voldoende vooruitgang bij de vader, acht het hof omgang op dit moment schadelijk voor het belang van de minderjarige. Ook een informatieregeling wordt niet vastgesteld omdat dit niet onderdeel van het geschil was.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking en ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige wegens contra-indicaties.