ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6559
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- J.H.W. de Planque
- A.A. Rijperman
- R. van der Vlist
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van het verzoek tot aanvullend vonnis inzake goodwillvergoeding na arbitraal vonnis
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of arbiters terecht hebben besloten geen aanvullend vonnis te wijzen over een vordering tot vergoeding van goodwill in een onderneming. Appellant had bij arbitraal vonnis van 13 mei 2009 een deel van zijn vordering toegewezen gekregen, maar zijn claim op goodwill werd afgewezen zonder nadere motivering.
Appellant verzocht vervolgens om een aanvullend vonnis, waarop de arbiters per brief van 25 juni 2009 antwoordden dat er geen sprake was van goodwill en dat de vordering daarmee was afgewezen. Appellant stelde dat arbiters hem niet in de gelegenheid hadden gesteld te worden gehoord over dit verzoek, dat de afwijzing niet ter griffie was neergelegd en dat de motivering ondeugdelijk was.
Het hof oordeelde dat procedurele fouten bij de afwijzing van het verzoek om een aanvullend vonnis niet automatisch leiden tot vernietiging van het arbitraal vonnis. De aanvullende motivering in de brief kon worden meegewogen, ook al waren partijen niet gehoord. Het beperkte toetsingskader van artikel 1065 Rv Pro betekent dat de motivering voldoende is. Het hof vond geen reden om aan te nemen dat arbiters hun opdracht niet waren nagekomen of essentiële verweren hadden genegeerd.
Uiteindelijk verwierp het hof het hoger beroep en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het arbitraal vonnis zonder vergoeding van goodwill.