Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
arrest d.d. 2 juli 2013
MAERSK B.V. ,
[geïntimeerde] , erfgename van [erflater] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het rapport houdt (ten aanzien van het dienstverband bij de rechtsvoorgangster van Maersk) onder meer het volgende in:
Gedurende de periode 15 december 1958 tot 31 augustus 1972 is de heer [erflater] als werktuigkundige in dienst geweest van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij, later NSU, Koninklijke Nedlloyd nv, Nedlloyd lijnen, (P&O) Nedlloyd, thans Maersk, (…)
(…)
De dagelijkse werkzaamheden als leerling werktuigkundige bestonden ook uit het leren omgaan met de verschillende machines in de machinekamer en met het assisteren van werkzaamheden die door bankwerkers, lassers et cetera uitgevoerd werden voor het regulier onderhoud van alle technische apparatuur. (…)
(…) De heer [erflater] was zodoende gedurende de hele reis minimaal acht uur per dag, elke dag, in de machinekamer van een schip aanwezig.
De heer [erflater] verklaart dat gedurende de binnenligtijd van de schepen in de havens altijd onderhoudswerkzaamheden werden verricht door de werktuigkundigen zelf (…). Hierbij was het soms ook noodzakelijk om isolatiemateriaal te verwijderen, bijvoorbeeld bij het onderhoud van de hulpketels of afgassenleidingen van de motoren. Het is vanzelfsprekend dat hierbij (asbest)stof vrijkomt. Ook bij het schoonmaken van deze hulpketels, hetwelk door poetsers werd uitgevoerd, werkte de heer [erflater] actief mee met demontage en montage van de diverse onderdelen. Hij geeft aan dat hij niet zeker weet of op alle schepen waarop hij heeft gevaren asbest aanwezig was, maar hij vermoedt dat dit grotendeels wel het geval is geweest, gezien het bouwjaar van de schepen waarop hij heeft gevaren.
(…)
Op de stoomturbine schepen Meliskerk, Maaskerk, Mariekerk van het type: “Victory”, en de Abbekerk van het type C3, is het zeker dat hij met diverse soorten asbest in contact is gekomen, (…) Deze stoomschepen zijn in respectievelijk 1945, 1945, 1944 en 1946 gebouwd in de USA.
Op deze stoomschepen heeft de heer [erflater] zelf met regelmaat met asbest gewerkt, bij het uitvoeren van onderhoud en reparaties. Hij maakte bijvoorbeeld asbestvlokken aan tot een papje en gebruikte dit als isolatiemiddel. Asbest werd op deze schepen gebruikt voor afdichting (asbestkoord, band) en voor isolatie van de ketels en stoomleidingen (asbestvlokken, asbestcement en asbestdekens). Op de verpakking van het materiaal stond vermeld welk product asbest erin zat. De waterpijpketels op deze schepen vergden veel onderhoud, onder andere door lekkende mangatdekseltjes van de waterpijpen, waardoor de ketels regelmatig geopend moesten worden en zodoende ook van nieuwe (asbesthoudende) afdichtingen moesten worden voorzien. Behalve het schoonmaakwerk werden deze reparaties door de werktuigkundigen zelf uitgevoerd. (…)
(…)”
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 21 juli 2009 – kort samengevat - overwogen dat zes van de zeven gezichtspunten uit de gezichtspuntencatalogus uit Van Hese-De Schelde, HR 28 april 2000, LJN AA5635, zich niet verzetten tegen doorbreking van de verjaringstermijn en de zaak naar de rol verwezen voor conclusie na tussenvonnis eerst aan de zijde van [erflater] en vervolgens aan de zijde van Maersk omtrent het punt van de verzekering. Bij deelvonnis van 16 maart 2010 heeft de kantonrechter geoordeeld dat handhaving van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en een comparitie gelast. Hierop is Maresk in beroep gekomen.
a) € 38.199,67 aan materiële schade (gespecificeerd in productie B bij MvA als
€ 36.259,47 aan 107 schade en € 1.940,20 aan 108 schade);
b) € 60.000,-- aan immateriële schade;
c) € 395,20 aan buitengerechtelijke kosten;
een en ander met rente en kosten.
Maersk heeft zich tegen deze eisvermeerdering niet verzet, zodat het hof uit zal gaan van de vermeerderde eis.
gaat het om vergoeding van vermogenschade dan wel nadeel dat niet in vermogenschade bestaat en – mede in verband daarmede – komt de gevorderde schadevergoeding ten goede aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde
Met de ratio van dit gezichtspunt is in strijd dat het hof de situatie zoals deze tijdens de procedure in hoger beroep is ontstaan ( [erflater] is op 29 oktober 2010 overleden) bij de beoordeling zou betrekken. Dit zou immers meebrengen dat een gezichtspunt dat aanvankelijk in het voordeel van [erflater] strekte, buiten zijn toedoen in zijn nadeel zou gaan verkeren enkel omdat Maersk in hoger beroep is gekomen en [erflater] nadien is overleden aan de gevolgen van maligne mesothelioom.
Evenals de kantonrechter is het hof van oordeel dat het bestaan van een mogelijk andere schuldenaar voor dezelfde schade er niet toe kan leiden dat gezichtspunt b in het voordeel van Maersk zou uitpakken. Het bestaan van een mogelijk alternatief aansprakelijke partij op dezelfde grondslag (1638x (oud)/7:658 BW), die op de voet van artikel 6:99 BW Pro eveneens voor de gehele schade aansprakelijk kan worden gesteld, is niet hetzelfde als ‘een uitkering uit anderen hoofde’ in de zin van dit gezichtspunt. Het is immers een uitkering uit dezelfde hoofde van een andere partij. Het feit dat de vordering ten aanzien van deze mogelijk alternatief aansprakelijke partij nog niet is verjaard maakt dit evenmin anders, zeker bezien in het licht van gezichtspunt g. Hierbij verdient nog opmerking dat in het onderhavige geval Maersk Bureau Veritas in vrijwaring heeft opgeroepen.
Vast staat dat in 1942 Hampe publiceerde over het risico van asbestose en longkanker bij blootstelling aan asbest. Niet in geschil is dat in 1949 asbestose als beroepsziekte werd erkend. In dat jaar is ook het wetsontwerp ‘Wettelijke regeling betreffende het voorkomen en het bestrijden van silicose en andere stoflongziekten (pneumoconioses) ingediend. In de MvT bij dat wetsontwerp werd gewezen op het gevaar van asbestose, dat voorkomt onder personeel van bedrijven waar tegen-warmte-isolerend materiaal wordt verwerkt. Gelet op de door [erflater] gegevens beschrijving van zijn werkzaamheden, werkte hij als scheepswerktuigkundige in een scheepsmachinekamer ook met tegen-warmte-isolerend materiaal.
[geïntimeerde] heeft er voorts onweersproken op gewezen dat al in de jaren ’50 in ‘De Veiligheid’ en ‘Bouw’ artikelen verschenen van dr H.E.V. Coster van Voorhout en dr F. Bezemer, medisch adviseur bij de Arbeidsinspectie, die het gevaar van asbestose beschrijven. Vervolgens werd in 1960 met de publicatie van Wagner cs in de British Journal of Industrial Medicine de blootstelling aan asbest als oorzaak voor het ontstaan van Mesothelioom aangetoond, verscheen in 1962 de Europese lijst van beroepsziekten met vermelding van asbestose (evt met longkanker), waarna in 1964 op de Asbestconferentie in New York het oorzakelijk verband tussen blootstelling aan asbest en mesothelioom werd erkend. Intussen deed de Arbeidsinspectie nader onderzoek. Uit het voorgaande blijkt dat er reeds voorafgaand aan en tijdens het dienstverband van [erflater] met VNS ernstige aanwijzingen waren van de gezondheidsschadelijke effecten van beroepsmatige blootstelling aan asbest en dat VNS dat wist, althans behoorde te weten.
Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat juist in de jaren ‘50 en ‘60 in de scheepsbouw veelvuldig met asbest werd gewerkt, waarmee de werknemers van een scheepsmachinekamer in een schip waarin asbest was verwerkt ook werden geconfronteerd. Werkzaamheden bij warmte- en geluidsisolatie en het demonteren en afbreken van installaties die uit asbesthoudende materialen bestaan worden in de op verzoek van de Commissie van Europese Gemeenschappen in 1962 door een aantal onafhankelijke deskundigen uit een groot aantal Europese landen in het kader van het vaststellen van de Europese lijst van beroepsziekten opgemaakte medische notitie, genoemd in het kader van beroepsziekten. In deze notitie wordt ook gewezen op mesotheliomen bij personen die aan asbest zijn blootgesteld. In 1971 verscheen voorts het rapport P no 116 van de Arbeidsinspectie ‘Werken met asbest’, waarin gewezen wordt op het mesothelioomrisico van asbest.
In ieder geval is VNS van voornoemde gezondheidsrisico’s en de te nemen maatregelen op de hoogte geraakt na het verschijnen van het rapport Stumphius in 1969. Niet, althans onvoldoende wordt betwist dat dit proefschrift aan alle eventueel nog bestaande twijfel over de relatie tussen asbest en mesothelioom een einde maakte. Dit proefschrift, geschreven door de bedrijfsarts van scheepswerf De Schelde, kreeg snel na verschijning grote maatschappelijke aandacht en publiciteit in de media.
Gezichtspunt d: in hoeverre heeft/had de aangesprokene reeds voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening gehouden/behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn ?
Gezichtspunt e: heeft de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid zich tegen de vordering te verweren ?
Het hof is van oordeel dat in het licht hiervan de stelling van Maersk met betrekking tot dit gezichtspunt onvoldoende is onderbouwd. Indien de werkzaamheden van een (scheeps)werktuigkundige anders waren geweest dan door [erflater] aangegeven (en met name waarom deze niet (mede) in de scheepsmachinekamer aan het werk waren), had het op de weg van Maersk gelegen aan te geven wat de werkzaamheden van een werktuigkundige op zeeschepen in het algemeen dan wel hadden ingehouden. Het feit dat de vertegenwoordiger van Maersk ter zitting in hoger beroep desgevraagd slechts kon aangegeven dat hem niet bekend was wat een (scheeps)werktuigkundige in die periode voor werkzaamheden deed is daartoe in ieder geval niet voldoende.
In hoger beroep heeft Maersk wederom aangegeven dat er geen verzekering is en dat het ook niet gebruikelijk was in de kring van opslag- en transportbedrijven in de betreffende periode om een verzekering tegen asbestschades af te sluiten. Van dit laatste heeft Maersk expliciet bewijs aangeboden.
Ter zitting in hoger beroep is aan de zijde van Maersk desgevraagd verklaard dat Maersk niet weet of er in de betreffende periode bij haar rechtsvoorgangster enige aansprakelijkheidsverzekering liep die asbestschades als thans aan de orde zijnde dekt.
Dit gezichtspunt kan in de totale weging dan ook noch ten nadele noch ten voordele van de verjaring enig gewicht in de schaal leggen.
Gezichtspunt g: heeft de aansprakelijkstelling plaatsgevonden en is een vordering tot schadevergoeding ingesteld binnen redelijke termijn na het aan het licht komen van de schade ?