Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
arrest d.d. 17 december 2013
[appellant]
Govinda c.s.,
Gerechtshof Den Haag
Partijen werkten vanaf 2006 samen bij het organiseren van busreizen, waarbij betalingen en boekingen verdeeld werden. [Appellant] stelde dat er een informele vennootschap onder firma (vof) en een gemeenschap was ontstaan, en vorderde medewerking aan verdeling van winst, goodwill en handelsnaam.
Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende feiten en afspraken bestaan die duiden op een vof. Er was geen overeenkomst over gezamenlijke bedrijfsvoering, winstverdeling of ondernemingsrisico. De samenwerking was onvoldoende om een vof aan te nemen, ook niet op basis van het feit dat [appellant] een deel van de winst ontving.
Daarnaast rustte op [appellant] de bewijslast voor het bestaan van een vof, en hij bracht geen akte aan zoals vereist door artikel 22 Wetboek Pro van Koophandel. Ook eerdere vonnissen over domeinnaam en klantenbestand gaven geen gezag van gewijsde over het vof-bestaan.
De grieven van [appellant] falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Hij wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat geen vennootschap onder firma of gemeenschap is ontstaan.