ECLI:NL:GHDHA:2013:4512

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2013
Publicatiedatum
27 november 2013
Zaaknummer
200.121.390/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Stille
  • Labohm
  • Pijls-olde Scheper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 lid 1 sub a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij partneralimentatiegeschil

In deze zaak staat de hoogte van de partneralimentatie die de man aan de vrouw moet betalen centraal. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin een maandelijkse uitkering van € 843,- was toegekend. De vrouw vorderde een hogere bijdrage, terwijl de man incidenteel appel instelde om de bijdrage te verlagen.

De vrouw stelde haar hoger beroep in op 5 februari 2013, terwijl de beroepstermijn op 4 februari 2013 was verstreken. Haar advocaat voerde aan dat de overschrijding te wijten was aan de rechtbank die de beschikking pas op 6 november 2012 aan partijen had toegezonden. Het hof oordeelde echter dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede vanwege de vereiste rechtszekerheid.

Het hof verklaarde daarom het principaal hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk. Vervolgens stelde de man dat zijn incidenteel hoger beroep ontvankelijk moest zijn, omdat hij erop mocht vertrouwen dat het principaal hoger beroep van de vrouw tijdig was ingesteld. Het hof verwierp dit en verklaarde ook het incidenteel hoger beroep van de man niet-ontvankelijk.

De beschikking van het hof betekent dat de eerdere beschikking van de rechtbank Rotterdam in stand blijft en dat geen wijziging van de alimentatiebijdrage plaatsvindt. Beide partijen worden niet in het ongelijk gesteld, maar hun hoger beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hof verklaart zowel het principaal hoger beroep van de vrouw als het incidenteel hoger beroep van de man niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 13 november 2013
Zaaknummer : 200.121.390/01
Rekestnummers rechtbank : F1 RK 09-1948 & F1 RK 10-743
Zaaknummers rechtbank : 336855 & 351753
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R.F. Dirkzwager te Meppel,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. W.J.L. Zwaan te Utrecht.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 5 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 november 2012 van de rechtbank Rotterdam.
De man heeft op 18 april 2013 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.
De vrouw heeft op 29 mei 2013 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- op 28 februari 2013 een brief van 22 februari 2013 met bijlagen;
- op 17 september 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
van de zijde van de man:
  • op 11 september 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
  • op 20 september 2013 een V-formulier van 19 september 2013 met bijlagen.
Op 2 oktober 2013 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - met ingang van 2 november 2012 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 843,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.
2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover daarin een eindbeslissing is gegeven ten aanzien van de partneralimentatie, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man aan de vrouw dient te betalen een, aan de jaarlijkse indexering onderhevige, maandelijkse bijdrage in haar levensonderhoud groot € 5.000,-, althans minimaal € 1.897,05, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.
3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof:
in principaal appel
de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar hoger beroep af te wijzen, en
in incidenteel appel
de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage vast te stellen op nihil, althans op een lager bedrag dan € 843,- per maand en de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, althans de kosten te compenseren.
4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel appel van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van dit geding in beide instanties.

Ontvankelijkheid principaal hoger beroep van de vrouw

5.
De vrouw heeft niet eerder dan op 5 februari 2013 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 2 november 2012. Nu de vrouw in eerste aanleg verzoekster was, geldt voor haar een beroepstermijn van drie maanden vanaf de dag van de uitspraak (artikel 806 lid 1 sub a van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Aangezien de uitspraak is gedaan op 2 november 2012, liep de beroepstermijn af op 4 februari 2013. De beroepstermijn was derhalve - met één dag - verstreken.
6.
De advocaat van de vrouw stelt dat de termijnoverschrijding te wijten is aan de rechtbank, nu de bestreden beschikking door de rechtbank pas op 6 november 2012 aan partijen is toegezonden. Ook wordt het roljournaal van de rechtbank niet adequaat bijgehouden.
7.
Het hof overweegt als volgt. Een advocaat moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in beroep zonder meer op de hoogte zijn van de hier aan de orde zijn termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Hetgeen door de advocaat van de vrouw is aangevoerd ter disculpatie van de overschrijding van de beroepstermijn, maakt deze overschrijding niet verschoonbaar, temeer daar de beroepstermijn de rechtszekerheid met betrekking tot de onherroepelijkheid van rechterlijke uitspraken dient.
8.
Het voorgaande brengt mee dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep.

Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep van de man

9.
De advocaat van de man stelt zich op het standpunt dat de man in zijn incidenteel hoger beroep – ook indien de vrouw in haar principaal hoger beroep niet-ontvankelijk is – wel ontvankelijk is, nu hij er op 6 februari 2013 kon vertrouwen dat het principaal hoger beroep van de vrouw op de daartoe voorgeschreven wijze was ingesteld. Bovendien heeft de man belang bij het incidenteel hoger beroep.
10.
Het hof overweegt als volgt. Een incidenteel hoger beroep kan ongeacht het processuele lot van een principaal hoger beroep worden behandeld, tenzij het principaal hoger beroep strandt op nietigverklaring van het hoger beroepschrift, dan wel niet binnen de beroepstermijn is ingesteld. Nu het principaal hoger beroep van de vrouw in de onderhavige situatie geen gevolg heeft wegens de overschrijding van de voor haar in dit geval geldende beroepstermijn, ondergaat het incidenteel hoger beroep van de man datzelfde lot. De man dient derhalve niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep te worden verklaard.
11.
Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar principaal hoger beroep;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Labohm en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2013.