Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
- de advocaat van de man;
- de advocaat van de vrouw.
Gerechtshof Den Haag
De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam over de verdeling van de gemeenschap. Het hof stelde vast dat het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift was betaald. Hoewel de betaling enkele dagen te laat was, oordeelde het hof dat dit voor rekening en risico van de man kwam.
De advocaat van de man voerde aan dat de nota griffierecht te laat was ontvangen, dat de procedure bij de rechtbank lang had stilgelegen en dat het opleggen van niet-ontvankelijkheid onbillijk was. Tevens werd een beroep gedaan op artikel 6 EVRM Pro, stellende dat het recht op toegang tot de rechter werd geschonden.
Het hof overwoog dat de wettelijke termijn voor betaling strikt is en dat een advocaat geacht wordt de regels te kennen en tijdig te betalen, ook zonder ontvangst van een nota. Het hof verwierp het beroep op het EVRM, verwijzend naar jurisprudentie waarin griffierechten niet in strijd zijn met het recht op toegang tot de rechter zolang het recht in zijn kern niet wordt aangetast.
Het hof concludeerde dat de late betaling niet tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt en verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.