4.De rechtbank heeft met betrekking tot het beroep van belanghebbende overwogen:
3.11Of in het onderhavige geval de omkering en verzwaring van de bewijslast dient te worden toegepast, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of [belanghebbende] in 2007 een onderneming heeft gedreven. Een ondernemer heeft immers veel verdergaande administratie- bewaar en informatieverplichtingen jegens de fiscus dan een niet-ondernemer. Derhalve zal de rechtbank eerst beoordelen of [de Inspecteur] uitgaande van een normale verdeling van de bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onderneming.
3.12De inkomsten uit de exploitatie van het pand zijn inkomsten uit belegging in onroerende zaken indien sprake is van normaal vermogensbeheer. Volgens vaste jurisprudentie is van normaal vermogensbeheer geen sprake indien het beheer gepaard gaat met werkzaamheden die naar hun aard en omvang onmiskenbaar zijn gericht op het behalen van - redelijkerwijs te verwachten - voordelen die het bij normaal vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan (zie HR 24 december 2010, nr. 09/02964, LJN: BM9252). Ingeval de exploitatie het normale vermogensbeheer te boven gaat, dient de exploitatie naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als het drijven van een onderneming dan wel werkzaamheden in de zin van artikel 3.90, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Nu geen van beide partijen het standpunt heeft ingenomen dat in dit geval van werkzaamheden in de zo-even bedoelde zin sprake is, en deze gezamenlijke opvatting van partijen niet op juridisch onjuiste uitgangspunten berust, zal de rechtbank de laatste mogelijkheid verder buiten beschouwing laten.
3.13 [De Inspecteur] stelt dat in het kader van de exploitatie van het pand door of namens [belanghebbende] de volgende werkzaamheden zijn verricht:
- het houden van toezicht;
- het schoonmaken van de panden;
- het zorgen voor dagelijks en periodiek groot onderhoud;
- het zorgen voor schoon beddengoed en handdoeken;
- het werven van prostituees;
- het controleren van identiteitspapieren van nieuwe prostituees;
- het controleren en aansturen van de beheerders;
- het innen en het periodiek afstorten van het geld.
Voorts voert [de Inspecteur] aan dat de [belanghebbende] door de gemeente [Q] als exploitant van de seksinrichting wordt gezien en de beheerster als beheerder daarvan en dat zij in die hoedanigheid op grond van regelgeving van de regelgeving van de gemeente [Q] en de (…) voorwaarden van de exploitatievergunning in hoge mate verantwoordelijk zijn voor hetgeen in deze seksinrichting plaatsvindt.
3.14Naar het oordeel van de rechtbank laten de vaststaande feiten, in het bijzonder de overeenkomst met de beheerster (…) en van de exploitatievergunning (…) geen andere conclusie toe dan dat het pand wordt gebruikt in het kader van een seksinrichting. De exploitatie van de seksinrichting en de naleving van de voorwaarden van de exploitatievergunning omvatte werkzaamheden die veel meer omvatten dan gebruikelijk is bij de enkele verhuur van een aantal gedeelten van een onroerende zaak. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden in het kader van de seksinrichting normaal vermogensbeheer te buiten gingen. Bij de exploitatie van de seksinrichting wordt deelgenomen aan het economische verkeer en wordt zowel kapitaal als arbeid ingezet. De exploitatie is ontegenzeggelijk gericht op het maken van winst. Derhalve is de exploitatie van de seksinrichting aan te merken als het drijven van een onderneming.
3.15De rechtbank kan [belanghebbende] niet volgen in haar standpunt dat, zo er sprake is van een onderneming, deze niet voor haar rekening en risico wordt gedreven, zodat zij niet als ondernemer kan worden aangemerkt. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
3.16Ingevolge artikel 3.4 van de Wet is ondernemer de belastingplichtige voor rekening van wie de onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden door verbintenissen betreffende die onderneming.
3.17 [Belanghebbende] stelt dat niet zij de ondernemer was. Dat was de beheerster. Echter, volgens de met de beheerster gesloten overeenkomst ontving de beheerster voor haar werkzaamheden een vaste vergoeding van € 600 per maand. De beheerster was derhalve niet gerechtigd tot het resultaat van de seksinrichting. Ook volgt uit de genoemde overeenkomst niet dat de beheerster rechtstreeks werd verbonden door verbintenissen betreffende de seksinrichting. Uit de vaststaande feiten volgt niet dat de overeenkomst afweek van de werkelijkheid.
3.18Ook de omstandigheid dat [belanghebbende] in de exploitatievergunning als de feitelijke exploitant wordt aangemerkt ondersteunt de conclusie dat de onderneming voor haar rekening en risico werd gedreven. Dat de werkzaamheden die [belanghebbende] zelf met betrekking tot de seksinrichting heeft verricht, beperkt van omvang waren, doet hier niet aan af.
3.19Over de omvang van de met de door [belanghebbende] gedreven onderneming behaalde winst, bestaat nu [de Inspecteur] deze heeft bepaald op grond van de onder 3.6 vermelde specificatie en [belanghebbende] van deze specificatie geen afstand heeft genomen, naar de rechtbank begrijpt tussen partijen geen geschil. [De Inspecteur] heeft de door [belanghebbende] behaalde winst derhalve niet op een te hoog bedrag vastgesteld.
3.2Gelet op het vorenoverwogene behoeft de vraag of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard geen beantwoording meer.
Vertrouwensbeginsel
3.21 [Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] vóór 2004 steeds haar aangiften heeft gevolgd waarin de inkomsten uit de seksinrichting als inkomsten uit belegging in onroerende zaken werden aangegeven en dat [de Inspecteur] bij haar de indruk heeft gewekt dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. [De Inspecteur] heeft ter zitting erkend dat hij in het verleden een dergelijke gedragslijn heeft gevolgd; zijns inziens was deze gedragslijn echter evident onjuist.
3.22Volgens vaste rechtspraak kan van in rechte te honoreren vertrouwen geen sprake zijn indien deze gedragslijn zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs de onjuistheid ervan had kunnen en moeten beseffen (zie HR 26 september 1979, nr. 19.250, BNB 1979/311). Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Gelet op de omvang van de werkzaamheden die met de exploitatie van de seksinrichting waren gemoeid, kon [belanghebbende] redelijkerwijs niet menen dat haar activiteiten als een belegging in onroerende zaken dienden te worden aangemerkt. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat [belanghebbende] zich heeft laten bijstaan door een deskundige gemachtigde.
(…)”