Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
3.Beslissing
- vastrecht € 284
- salaris advocaat € 9.633
Gerechtshof Den Haag
Partijen zijn bijna 13 jaar bezig met de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, die in november 2000 overleed. Het geschil betreft onder meer de vraag of de nalatenschap zuiver of beneficiair is aanvaard, de noodzaak van een notariële boedelbeschrijving, de waardering van onroerende zaken, de afgifte van een legaat, en de toerekening van kosten aan de boedel.
Het hof bevestigt dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard en dat een aangifte voor successierecht niet gelijkstaat aan een boedelbeschrijving. Gezien het ontbreken van overeenstemming tussen partijen is een boedelnotaris benoemd om de boedelbeschrijving op te stellen, wat noodzakelijk wordt geacht voor de afwikkeling.
De waardering van de onroerende zaken wordt vastgesteld op basis van onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik, rekening houdend met herontwikkeling tot woningbouw. Kosten die appellanten ten onrechte ten laste van de boedel wilden brengen worden afgewezen. Ook de vordering tot vergoeding voor beheer wordt niet toegewezen vanwege gebrek aan specificatie.
Het hof wijst de vordering tot zuivere aanvaarding af wegens gebrek aan toelichting en bevestigt de benoeming van de boedelnotaris. Verder wordt appellanten opgelegd de proceskosten te vergoeden vanwege hun kostbare en onduidelijke procedurevoeren. De vonnissen van de rechtbank Rotterdam worden bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de vorderingen van appellanten af, met veroordeling in de proceskosten.