ECLI:NL:GHDHA:2013:3992
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Kamminga
- Van Leuven
- Mink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake schorsing tenuitvoerlegging dwangbevel ouderbijdrage Wet op de jeugdzorg
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin haar verzet tegen een dwangbevel van het LBIO tot invordering van ouderbijdrage op grond van de Wet op de jeugdzorg ongegrond werd verklaard. Het LBIO had een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van € 2.272,15 over de periode 2006-2009.
In het incident verzocht de vrouw om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, stellende dat het LBIO onrechtmatig beslag had gelegd, geen rekening hield met de beslagvrije voet en dat er nieuwe feiten waren die het vonnis zouden kunnen beïnvloeden. Het hof overwoog dat het verzet schorsende werking heeft, maar dat hoger beroep tegen een vonnis waarin het verzet ongegrond is verklaard niet automatisch schorsende werking heeft.
Het hof stelde dat de vrouw belang moet hebben bij schorsing en dat de belangenafweging in het voordeel van de tenuitvoerlegging uitviel. Nieuwe feiten waren niet voldoende nieuw of relevant om van het eerdere vonnis af te wijken. De beslagvrije voet was gehalveerd door het niet verstrekken van een opgave van inkomsten en uitgaven door de vrouw. Het hof concludeerde dat er geen reden was om de tenuitvoerlegging te schorsen.
De kosten van het incident werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel af en compenseert de kosten van het incident.