Uitspraak
- [naam], geboren [ in ] 1999 te [geboorteplaats], en
- [naam], geboren [ in ] 1999 te[geboorteplaats],
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak stond de hoogte en ingangsdatum van de kinderalimentatie centraal. De vader was in hoger beroep gegaan tegen een beschikking van de rechtbank die hem een bijdrage van €95 per maand per kind oplegde vanaf 1 oktober 2012. De moeder stelde in incidenteel appel dat de ingangsdatum vervroegd moest worden naar 1 mei 2012 vanwege vertraging door de vader.
Het hof oordeelde dat de ingangsdatum van 1 oktober 2012 redelijk en billijk was, omdat dit de eerste maand na het verzoekschrift was en de vader vanaf dat moment rekening kon houden met alimentatiebetalingen. De behoefte van de minderjarigen aan alimentatie stond vast op €213 per maand per kind.
De kern van het geschil betrof de draagkracht van de vader. De vader stelde dat alleen het bedrijfsresultaat van 2012 moest worden meegewogen, omdat hij een grote opdrachtgever was kwijtgeraakt en zijn inkomen daardoor aanzienlijk was gedaald. Het hof achtte dit aannemelijk en concludeerde dat de vader geen draagkracht had voor de oorspronkelijke alimentatie. Daarom werd de alimentatie vastgesteld op €50 per maand per kind, het bedrag dat de vader ook ter zitting had aangeboden.
De moeder had betoogd dat de vader mogelijk zwart geld verdiende, maar dit werd niet onderbouwd en door het hof verworpen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en stelde de alimentatie opnieuw vast. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vader moet vanaf 1 oktober 2012 €50 per maand per kind aan kinderalimentatie betalen.