ECLI:NL:GHDHA:2013:3831

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2013
Publicatiedatum
10 oktober 2013
Zaaknummer
200.124.188-01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lückers
  • Kamminga
  • Stuurop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling aangepaste informatieregeling tussen ouders over minderjarige

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter waarin een informatieregeling was vastgesteld. Deze regeling verplichtte de moeder om de vader minstens eenmaal per maand schriftelijk te informeren over het wel en wee van hun minderjarige kind, inclusief directe berichtgeving bij ziekte en voorafgaande informatie over buitenlandse reizen.

De moeder stelde dat zij niet bekend was met een brief van haar voormalige advocaat aan de rechtbank en vond de regeling te vergaand en onduidelijk, vooral over wat onder 'wel en wee' moest worden verstaan. Het hof overwoog dat de informatieregeling de belangen van de minderjarige en de moeder niet schaadt, maar achtte aanpassing op verzoek van de moeder op zijn plaats.

Het hof besloot de regeling te wijzigen zodat de moeder de vader alleen informeert over gewichtige aangelegenheden betreffende de minderjarige, en in ieder geval terstond bij ziekte en voorafgaand aan buitenlandse reizen. De rest van het hoger beroep werd afgewezen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof stelde een aangepaste informatieregeling vast waarbij de moeder de vader informeert over gewichtige aangelegenheden, ziekte en buitenlandse reizen van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 9 oktober 2013
Zaaknummer : 200.124.188/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-4180
[appellante],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 19 maart 2013in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- op 10 april 2013 een brief van 8 april 2013 met bijlagen;
De zaak is op 5 september 2013 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. A.A. van den Berg (kantoorgenoot van de advocaat van de moeder).
De vader en de raad zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is – voor zover in hoger beroep van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van 23 februari (het hof leest in plaats van 2012:) 2011 van de rechtbank Rotterdam - bepaald dat de moeder de vader minstens eenmaal per maand schriftelijk zal informeren over het wel en wee van de hierna te noemen minderjarige gedurende de dagen dat de minderjarige niet bij de vader is. Voorts is bepaald dat de moeder de vader terstond zal informeren als de minderjarige ziek is en dat zij de vader vooraf zal informeren over reizen van de minderjarige naar het buitenland. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren [in] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige erkend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.
In geschil is in hoger beroep enkel de informatieregeling.
2.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking (het hof begrijpt:) ten aanzien van de informatieregeling te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vader in zijn verzoeken met betrekking tot de informatieregeling niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen, althans een zodanige beschikking af te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.
Het hof overweegt als volgt. De vader heeft de rechtbank bij zelfstandig verzoek het volgende verzocht:
  • te bepalen dat de moeder de vader eens per twee weken schriftelijk rapporteert over het wel en wee van de minderjarige gedurende de dagen dat zij niet bij hem is;
  • te bepalen dat de moeder de vader, ingeval van ziekte van de minderjarige, terstond informeert;
  • te bepalen dat de moeder de vader vooraf informeert over reizen van de minderjarige naar het buitenland.
4.
Vervolgens hebben de toenmalige advocaten van partijen bij brief van 29 november 2012 de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hadden bereikt over, onder meer, de informatieregeling. De rechtbank heeft die overeenstemming, op verzoek van de advocaten van partijen, vervolgens opgenomen in de bestreden beschikking.
5.
Thans stelt de moeder in hoger beroep - kort samengevat - het volgende. De moeder was niet bekend met de inhoud van het schrijven van haar voormalige advocaat aan de rechtbank. De door de rechtbank vastgestelde informatieregeling gaat te ver en voelt als huiswerk voor de moeder. Het is onduidelijk wat onder “wel en wee” moet worden verstaan. Als sprake is van gewichtige aangelegenheden, zal de moeder de vader daarover berichten. De moeder heeft ter zitting in beroep aangegeven dat dit in ieder geval geldt voor ziekte en buitenlandse reizen.
6.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
7.
Het hof is van oordeel dat de informatieregeling, zoals door de rechtbank vastgesteld, de belangen van de minderjarige niet schaadt, gelet op de omstandigheid dat de minderjarige haar gewone verblijfplaats heeft bij de moeder. Hetzelfde geldt voor de belangen van de moeder. Evenwel ziet het hof in het door de moeder gestelde aanleiding om die informatieregeling aan te passen. Het belang van de minderjarige vergt dat de moeder de vader dient te informeren als sprake is van gewichtige aangelegenheden betreffende de minderjarige, alsmede ter stond bij ziekte en voorafgaand aan een reis met de minderjarige naar het buitenland.
8.
Het hof zal aldus beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, opnieuw beschikkende:
stelt - in zoverre met wijziging van de beschikking van 23 februari 2011 van de rechtbank Rotterdam - een informatieregeling met betrekking tot de minderjarige vast, inhoudende dat:
  • de moeder de vader zal informeren als sprake is van gewichtige aangelegenheden betreffende de minderjarige;
  • de moeder de vader in ieder geval ter stond zal informeren als de minderjarige ziek is;
  • de moeder de vader in ieder geval ook vooraf zal informeren over reizen met de minderjarige naar het buitenland;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Kamminga en Stuurop, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013.