ECLI:NL:GHDHA:2013:2847

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2013
Publicatiedatum
25 juli 2013
Zaaknummer
200.125.894.01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lückers
  • Jansen
  • Linsen-Penning de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b Wet op de jeugdzorgArt. 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging gesloten plaatsing minderjarige in jeugdzorg

De minderjarige is op 25 februari 2013 onder toezicht gesteld en geplaatst in een gesloten jeugdzorgaccommodatie tot 27 augustus 2013. Zij is in hoger beroep gekomen tegen deze machtiging, stellende dat de gesloten plaatsing niet langer noodzakelijk is omdat zij voldoende weerbaar is en het contact met haar ouders is hersteld.

Jeugdzorg betoogt dat de gesloten plaatsing gerechtvaardigd blijft vanwege ernstige gedragsproblemen, schoolverzuim, weglopen en contacten met politie en justitie, en dat de hulpverlening noodzakelijk is voor haar ontwikkeling. De ouders betwisten de rechtmatigheid van de gesloten plaatsing en de juistheid van rapportages.

Het hof overweegt dat de machtiging terecht is verleend op grond van artikel 29b lid 3 Wet op de jeugdzorg, gezien de ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige belemmeren. Hoewel de minderjarige vooruitgang heeft geboekt en terugkeer naar huis mogelijk is, moet het traject worden afgerond en begeleiding vanuit Jeugdzorg voortgezet.

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige in een jeugdzorgaccommodatie tot de einddatum.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 10 juli 2013
Zaaknummer : 200.125.894/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3321 en JE RK 12-3341
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum in]1997 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], thans verblijvende te Sassenheim, gemeente Teylingen,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de minderjarige,
advocaat mr. M.S.C. Leistra te Zoetermeer,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg te Gouda,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbende is aangemerkt:
1.
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder, en
2.
[de vader],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 24 april 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 februari 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.
Jeugdzorg heeft op 13 juni 2013 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de minderjarige:
  • op 29 mei 2013 een brief van 28 mei 2013 met bijlagen;
  • op 10 juni 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen.
De raad heeft bij brief van 19 juni 2013 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 26 juni 2013 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw J. Kradolfer namens Jeugdzorg;
  • de ouders, bijgestaan door de heer S. Mustafa als tolk in de Albanese taal.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de minderjarige van 25 februari 2013 tot 27 november 2013 onder toezicht gesteld van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1 onder Pro f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg voor de duur van zes maanden, van 27 februari 2013 tot 27 augustus 2013, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit van 29 november 2012.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.
In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 25 februari 2013 tot 27 augustus 2013 in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.
2.
De minderjarige verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de machtiging van Jeugdzorg tot het doen opnemen en doen verblijven van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg voor de duur van zes maanden, van 27 februari 2013 tot 27 augustus 2013
.
3.
Jeugdzorg verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.
4.
De minderjarige voert het volgende aan. Zij ontkent niet dat de in de bestreden beschikking genoemde opgroei- of opvoedingsproblemen er waren op het moment dat zij op 4 december 2012 voorlopig uit huis werd geplaatst. De problemen vloeiden met name voort uit het probleem dat zij had met [X]. Hij had haar in zijn macht, bedreigde haar, en zij kon hem geen weerstand bieden. Thuis waren er geen andere problemen dan die in elk gezin met jongeren in de puberteit spelen. De minderjarige heeft thans het idee dat het steeds slechter met haar gaat, naarmate de uithuisplaatsing langer duurt. Zij meent thans voldoende weerbaar te zijn tegen een mogelijke loverboy. Zij heeft haar ervaring verwerkt. Voorts heeft zij geleerd om te gaan met haar boosheid, zodat zij nu weet hoe zij een escalatie kan voorkomen. Ook het contact met de ouders is hersteld en de ouders geven te kennen dat zij de minderjarige graag weer thuis willen hebben. De afgelopen periode heeft voor de minderjarige goed kunnen dienen om tegen zichzelf en haar omgeving te worden beschermd, maar deze bescherming is thans niet meer door middel van een uithuisplaatsing noodzakelijk. Tijdens de afgelopen maanden van uithuisplaatsing is er van behandeling geen sprake geweest, lag en ligt er in ieder geval op papier nog geen behandelplan, waardoor er geen zicht is op de effectiviteit van de huidige hulpverlening en is niet duidelijk geworden welk behandelplan Jeugdzorg heeft voor de komende tijd. Het is niet in het belang van de minderjarige dat zij, na haar voorlopige uithuisplaatsing, niet bij haar ouders kan worden teruggeplaatst. De rechtbank heeft haar belang onvoldoende voor ogen gehouden. Ter zitting heeft de minderjarige verklaard dat zij, naar haar mening, reeds te lang en onterecht uit huis geplaatst is in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Zij stelt dat Jeugdzorg haar belofte, dat zij na een periode van een half jaar in een meer open setting geplaatst zou worden, niet na is gekomen. Daarnaast stelt zij niets verkeerd te hebben gedaan, zodat een plaatsing in een gesloten setting niet (langer) gerechtvaardigd is.
5.
Jeugdzorg voert het volgende aan. Destijds is een weloverwogen keuze gemaakt om een verzoek tot het afgeven van een machtiging voor gesloten jeugdzorg in te dienen. De minderjarige had op de crisisopvang aangegeven onder druk te staan van een loverboy, maar hem toch ook nog wel leuk te vinden, waardoor het risico op weglopen zeer groot was. De problemen die daaraan voorafgaand speelden waren er al geruime tijd en zagen op meer dan ‘gewone puberproblemen’. Meerdere hulpverlening was al ingezet om de minderjarige ‘op de rit’ te krijgen en haar ontwikkeling op een goede manier te laten verlopen. Deze hulpverlening heeft echter niet het gewenste effect gehad. De minderjarige heeft binnen Icarus laten zien dat zij bereid is mee te werken aan de doelen die gesteld zijn. Zij is in sprongen vooruit gegaan waardoor er gekozen is om mee te gaan in haar wens tot overplaatsing richting een instelling dichterbij [woonplaats]. Tijdens de laatste behandelbespreking is er – het verloop van het gehele traject overziend – afgesproken dat de minderjarige per 19 juli 2013 weer volledig thuis kan gaan wonen met begeleiding vanuit ‘de Vaart’. Zowel de minderjarige als de ouders staan achter dit plan. De bedoeling is dat de machtiging tot gesloten plaatsing - voor wat betreft de geslotenheid - daartoe zal worden geschorst door de zorgaanbieder. Voorts is afgesproken dat de minderjarige gaat starten met therapie. De minderjarige staat open voor de hulpverlening en de ouders vinden het belangrijk dat de minderjarige de hulp krijgt om alles een plekje te geven als zij dit zelf ook wil. Om het traject en de nazorg vanuit ‘de Vaart’ tot een goed einde te brengen en de minderjarige en de ouders de hulp te bieden die zij nodig hebben, is het noodzakelijk dat de machtiging gesloten plaatsing tot de einddatum van kracht blijft.
6.
Namens de ouders is ter zitting naar voren gebracht dat de minderjarige naar hun mening ten onrechte in een gesloten setting geplaatst is, aangezien zij geen strafbare feiten heeft gepleegd. Voorts stellen de ouders dat hetgeen in de rapportages is opgenomen voor een groot deel niet juist is.
7.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 29b lid 3 van de Wet op de jeugdzorg een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts wordt verleend indien de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal ontrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
8.
Het hof overweegt voorts als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er ten tijde van het afgeven van de voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg veel zorgen waren met betrekking tot de minderjarige, die de afgifte van voornoemde machtiging rechtvaardigden. De minderjarige heeft ter zitting in hoger beroep beaamd dat zij op het moment van afgifte van deze machtiging de bescherming van plaatsing in een gesloten setting nodig had. Deze bescherming had zij echter naar haar mening ten tijde van het afgeven van de bestreden beschikking niet langer nodig. Het hof is echter met Jeugdzorg van oordeel dat de zorgen ten aanzien van de minderjarige, anders dan de minderjarige en de ouders menen, niet alleen in de sfeer van de loverboyproblematiek lagen. De minderjarige vertoonde gedragsproblemen, verzuimde school en is meerdere keren weggelopen waarbij zij enige tijd onvindbaar was. Ook is zij in aanraking gekomen met politie en justitie. Nog daargelaten de vraag of een en ander direct samenhing dan wel voortvloeide uit de loverboyproblematiek en zo ja, in welke mate, is het hof van oordeel dat een en ander niet met zich brengt dat de minderjarige in het geheel geen eigen verantwoordelijkheid meer behoefde te nemen voor alle problemen die zij had. Het hof is derhalve van oordeel dat de geboden hulpverlening (in een gesloten setting) noodzakelijk is en is geweest om een evenwichtige (verdere) ontwikkeling van de minderjarige mogelijk te maken. Het hof acht positief dat de minderjarige zich zodanig heeft ingezet dat zij op korte termijn weer thuis kan worden geplaatst en dat zij open staat voor de hulpverlening vanuit de thuissituatie. Echter het thans ingezette traject moet worden afgerond en de door Jeugdzorg aangeboden begeleiding voor de minderjarige in verband met de terugkeer naar huis, is noodzakelijk om deze terugkeer met goed resultaat te bewerkstelligen.
9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Jansen en Linsen-Penning de Vries bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2013.