De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind. Het bewind was ingesteld vanwege een eerdere drugsverslaving en de eis van het Leger des Heils na schuldsanering.
De rechthebbende stelde dat hij zijn verslaving onder controle had en dat het bewind onnodig en kostenverhogend was. Hij verzocht om opheffing of subsidiair schorsing van het bewind, dan wel benoeming van zijn moeder als bewindvoerder. De bewindvoerder en familieleden gaven aan dat het bewind noodzakelijk bleef, maar wilden de rechthebbende wel een kans geven.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:449 lid 2 BWPro het bewind kan worden opgeheven indien de oorspronkelijke gronden niet meer aanwezig zijn. De rechthebbende had echter onvoldoende medische of andere bewijsstukken overlegd waaruit blijkt dat hij nu in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen.
De eerdere behandeling bij ParnassiaBavo dateerde van vóór het bewind en het huisartsendossier toonde geen recente verbetering. De eis van het Leger des Heils was niet doorslaggevend voor het bewind. Ook een schorsing was niet mogelijk omdat de wet dit niet toestaat.
Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het verzoek tot opheffing af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af wegens onvoldoende bewijs dat de gronden voor het bewind zijn vervallen.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 15 mei 2013
Zaaknummer : 200.118.876/01
Rekestnr. rechtbank : EJ VERZ 12-82447
[rechthebbende],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat mr. M.P. de Witte te Den Haag
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1.
[vader],
wonende te[woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
2.
[moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
3.
[zus],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: zus van de rechthebbende,
4.
Beschermingsbewindkantoor Nederland B.V.,
t.a.v. mevrouw E. P. Bargeman-Molenaar,
gevestigd te Zwijndrecht,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De rechthebbende is op 18 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 oktober 2012 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, vestiging Den Haag.
Op 3 april 2013 is de zaak mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
de begeleidster van de rechthebbende van het Leger des Heils, A. Schuilenburg;
E.P. Bargeman-Molenaar, namens de bewindvoerder;
de moeder van de rechthebbende;
de zus van de rechthebbende.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1.
In geschil is de opheffing van het bewind.
2.
De rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) opnieuw beschikkende het uitgesproken bewind alsnog op te heffen.
3.
De rechthebbende stelt zich op het standpunt dat er aanleiding is om het bewind op te heffen. Volgens hem is het bewind destijds ingesteld, omdat het Leger des Heils de eis stelde, dat na een succesvolle schuldsanering, er een bewindvoerder over hem werd aangesteld. In 2012 stelde het Leger des Heils deze eis niet meer en daarom is ook verzocht om opheffing van het bewind. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij zijn drugsverslaving onder controle heeft. Uit het huisartsendossier van de afgelopen drie jaren blijkt dat er in die periode geen enkele melding van drugsproblematiek is geweest. Hij heeft een huurwoning en de Dienst Sociale Zaken kan de huur en overige vaste lasten rechtstreeks van de uitkering betalen, zodat geen betalingsachterstanden kunnen ontstaan voor de vaste lasten. Het is volstrekt onnodig en kostenverhogend om een bewindvoerder te hebben.
Ter zitting verzoekt de advocaat van de rechthebbende subsidiair het bewind voor een jaar te schorsen, zodat de rechthebbende een jaar de kans krijgt om te laten zien dat het goed gaat. Indien het hof ook dit te ver vindt gaan, dan stelt hij zich op het standpunt dat de moeder van de rechthebbende als bewindvoerder kan gaan fungeren.
De rechthebbende zelf voert ter zitting aan dat hij een keer een terugval heeft gehad, toen hij op vakantie wilde en een bankpas kreeg met € 600 er op. Hij heeft dit bedrag toen deels aangewend om drugs te kopen. Voorts stelt hij dat hij drie maanden geleden gestopt is met het gebruik van cannabis. Hij gebruikt nu zware shag. Hij drinkt niet en met het leefgeld gaat het iedere week goed.
4.
Namens de bewindvoerder is ter zitting aangevoerd dat de rechthebbende niet heeft aangetoond dat hij zijn financiën zelfstandig kan beheren. Zij ziet geen verandering bij de rechthebbende. Ook zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij bezig is dingen zelfstandig te doen. Verder voert zij aan dat een schorsing voor een jaar niet goed uitvoerbaar is. Een wijziging van bewindvoerder zou wat haar betreft een betere oplossing zijn.
5.
De moeder en de zus van de rechthebbende voeren ter zitting aan dat zij graag zouden willen dat de rechthebbende de kans krijgt te laten zien dat hij het zelf kan. Door het bewind heeft hij het gevoel dat hij bekneld raakt. Zou er een terugval zijn, dan staat de moeder paraat om de rechthebbende te helpen. De rechthebbende heeft toekomstplannen en wil gaan trouwen. Het bewind belemmert hem hierin. Als het hof geen aanleiding ziet om het bewind op te heffen, dan kan de moeder tot bewindvoerder benoemd worden.
6.
Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:449 lid 2 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover thans van belang, de kantonrechter op verzoek van onder meer de rechthebbende een bewind kan opheffen, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven niet meer bestaan. Grond voor een onderbewindstelling over het vermogen of goederen van een meerderjarige is aanwezig, zo volgt uit artikel 1:431 lid 1 BWPro, indien de meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
7.
Het hof is van oordeel dat de rechthebbende onvoldoende heeft aangetoond, bijvoorbeeld met behulp van een medische verklaring, dat de gronden die aanleiding hebben gegeven tot het instellen van het bewind thans niet meer aanwezig zijn. Het dossier van de ParnassiaBavo groep betreffende zijn behandeling in verband met problemen ten aanzien van middelengebruik ziet immers op de behandelperiode van 15 januari 2009 tot en met 13 november 2009 en dit is nog gelegen voor de beschikking van 2 maart 2010 waarbij de rechthebbende op eigen verzoek onder bewind is gesteld. Hieruit kan dus geen geenszins volgen dat de gronden waarop hij destijds onder bewind is gesteld, thans niet meer aanwezig zijn. Evenmin is uit het huisartsdossier op te maken dat het nu goed met de rechthebbende gaat en dat hij nu wel in staat zou zijn om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De voorwaarde die al dan niet door het Leger des Heils gesteld werd in verband met hulpverlening is niet van belang, nu de in artikel 1:431 lid 1 BWPro bedoelde toestand de grond is voor het uitspreken van een onderbewindstelling en deze dus niet uitgesproken kan zijn op de enkele grond dat het Leger des Heils deze voorwaarde stelde.
8.
Ter zitting heeft de rechthebbende desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat hij geen bewind meer wil, ook niet als in plaats van de huidige bewindvoerder zijn moeder als bewindvoerder zou optreden. Het hof ziet daarom geen aanleiding de persoon van de bewindvoerder te wijzigen.
9.
Nu de bewindvoerder niet achter een tijdelijke schorsing staat en de wet ook geen mogelijkheden biedt tot een tijdelijke schorsing van de onderbewindstelling, is het hof van oordeel dat een tijdelijke schorsing van het bewind niet mogelijk is.
10.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het verzoek van de rechthebbende terecht afgewezen en wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Van Kempen en Stuurop, bijgestaan door
mr. Massmann als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2013.