ECLI:NL:GHARN:2012:BY1267

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
24 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
21-004317-12 -16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 80 SvArt. 81 SvArt. 82 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis na veroordeling in eerste aanleg

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte behandeld. Verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. De raadsman van verdachte voerde aan dat verdachte zijn berechting in vrijheid mocht afwachten op grond van artikel 5 EVRM Pro.

Het hof oordeelde dat deze stelling berustte op een misvatting. Na veroordeling in eerste aanleg berust de voorlopige hechtenis niet langer op artikel 5 lid 1 sub c EVRM Pro, maar op artikel 5 lid 1 sub a EVRM Pro, dat de detentie toestaat op grond van een rechterlijke veroordeling. Het feit dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is geworden, doet hieraan niet af.

Het hof verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, Wemhoff 1968) ter onderbouwing van deze uitleg. Gelet op deze rechtsgrond en het bepaalde in artikel 80 en Pro volgende van het Wetboek van Strafvordering, concludeerde het hof dat geen reden bestond tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het verzoek werd daarom afgewezen. Verdachte was, ondanks oproep, niet verschenen bij de raadkamerzitting. De beslissing werd genomen door de drie raadsheren en ondertekend door de voorzitter en griffier.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen; verdachte blijft in detentie.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
pkn: 21-004317-12- 16
Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van
19 oktober 2012, ingekomen ter griffie van het hof op 19 oktober 2012, namens de verdachte,
[voornaam] [achternaam],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonadres],
tot schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft gehoord in raadkamer van heden de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte, mr U. Ural, advocaat te Enschede.
Verdachte is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
OVERWEGINGEN:
Het hof is na onderzoek gebleken dat geen redenen aanwezig zijn tot enige schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
In raadkamer heeft de raadsman aangevoerd dat niet valt in te zien waarom verdachte in afwachting van de behandeling van het hoger beroep in de starfzaak, opnieuw in voorlopige hechtenis zou moeten blijven, zulks gelet op het uitgangspunt van het Europese hof, dat verdachte zijn berechting in vrijheid mag afwachten. Voor zover de raadsman zich daarbij beroept op artikel 5 van Pro het EVRM berust hetgeen door hem is gesteld op een misvatting van die regeling. Aangezien verdachte in eerste aanleg inmiddels door de rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf, voor de duur van 18 maanden, berust zijn voortdurende detentie niet langer op de op in artikel 5 lid 1 sub c EVRM Pro genoemde uitzondering op het verbod op vrijheidsontneming, maar inmiddels op de grond genoemd in artikel 5 lid 1 sub a van Pro het EVRM, te weten de veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. Dat de betreffende uitspraak van de rechter niet in kracht van gewijsde is gegaan doet aan de toepasselijkheid van genoemd artikel 5 lid 1 sub a niet Pro af (zie onder meer EHRM 27 juni 1968 (Wemhoff)). Op deze grond voor detentie heeft de rechtspraak, waarop de raadsman zich kennelijk bedoelt te baseren geen betrekking. Dat brengt mee dat het beroep van de raadsman op het veronderstelde uitgangspunt van het Europese Hof (voor de rechten van de mens) niet opgaat.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof wijst het verzoek af.
Aldus gegeven op 24 oktober 2012 door mr A.E. Harteveld, voorzitter, mr C.G. Nunnikhoven en mr J.H.C. van Ginhoven, raadsheren, in tegenwoordigheid van Y.E. van Dorst, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.