ECLI:NL:GHARN:2012:BX9946

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
4 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.108.070
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 251 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot verval van instantie in verzoekschriftprocedure echtscheiding

In deze zaak gaat het om een verzoek van de man tot verval van instantie op grond van artikel 251 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in een echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen. De Hoge Raad had eerder beschikkingen van het hof ’s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.

De man stelt dat de vrouw een verwijzingsprocedure moet starten, maar zij heeft dit niet gedaan, waardoor de procedure stil ligt. Hij beroept zich op artikel 251 Rv Pro om verval van instantie te vorderen en verwijst ook naar artikel 6 EVRM Pro wegens vermeend misbruik van recht door de vrouw. De vrouw betwist de ontvankelijkheid van het verzoek en stelt dat artikel 251 Rv Pro niet van toepassing is op verzoekschriftprocedures.

Het hof overweegt dat artikel 251 Rv Pro uitsluitend ziet op dagvaardingsprocedures en niet van toepassing is op verzoekschriftprocedures zoals deze. Er is geen wettelijke grond om dit artikel analoog toe te passen. Verder is er geen sprake van misbruik van recht, omdat partijen vrij zijn om de procedure voort te zetten. De man kan zelf een verzoek indienen om de procedure voort te zetten. Het hof wijst het verzoek van de man af en verklaart hem niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot verval van instantie en wijst het verzoek af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.108.070
beschikking van de familiekamer van 4 oktober 2012
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats], Zwitserland,
verder te noemen “de man”,
advocaat: mr. J.P. Verhaar-Kok te Alphen aan de Rijn,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats], België,
verder te noemen “de vrouw”,
advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg te ’s-Hertogenbosch.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na verwijzing
1.1 De Hoge Raad heeft op 20 maart 2009 een beschikking gegeven, daarbij de beschikkingen van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 juni 2006 en 13 september 2007 waarbij het hof in de echtscheidingsprocedure tussen de man en de vrouw nevenvoorzieningen heeft getroffen vernietigd, de zaak voor verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof Arnhem en de kosten van het geding in cassatie gecompenseerd aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de voornoemde beschikking van de Hoge Raad.
1.2 De man heeft bij brief die is ingekomen ter griffie van het hof op 24 mei 2012 een verzoekschrift ingediend tot verval van instantie in de zin van artikel 251 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
1.3 De vrouw heeft bij brief die is ingekomen ter griffie van het hof op 29 mei 2012 op dit verzoek gereageerd.
1.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
- op 11 juni 2012 een brief van mr. Verhaar-Kok van dezelfde datum;
- op 29 juni 2012 een brief van mr. Zonnenberg van dezelfde datum;
- op 21 augustus 2012 een brief van mr. Verhaar-Kok van 20 augustus 2012.
1.5 De mondelinge behandeling heeft op 4 september 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2. De motivering van de beslissing
2.1. Artikel 251 lid 1 Rv Pro bepaalt dat indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, de rechter op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een roldatum bepaalt waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten om vonnis te wijzen. De rechter kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een roldatum bepalen.
2.2 De man stelt dat de vrouw een verwijzingsprocedure dient te starten aangezien de beschikkingen van het hof ’s-Hertogenbosch op verzoek van de vrouw tot stand zijn gekomen en deze beschikkingen zijn vernietigd door de Hoge Raad. Dat doet de vrouw echter niet, waardoor de zaak al drie jaar stil ligt. Hij wil daarom gebruikmaken van de mogelijkheid van verval van instantie die artikel 251 Rv Pro biedt, aldus de man. Partijen zijn bij gelegenheid van een door de vrouw aangespannen kort geding bij de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage ter zitting van 22 februari 2008 overeengekomen dat, in plaats van de door de vrouw af te sluiten alimentatieverzekering van € 10.000,- per maand, door de man ten gunste van de vrouw een bankgarantie zal worden gesteld waarin wordt gegarandeerd dat bij diens onverhoopt overlijden de alimentatie van € 23.624,73, met indexaties vanaf januari 2008 tot 9 februari 2017 onverminderd aan de vrouw doorbetaald wordt. Deze bankgarantie had een looptijd tot drie maanden na de beschikking van de Hoge Raad in het ingestelde cassatieberoep. Bij vonnis in kort geding van 1 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage geoordeeld dat de lopende bankgarantie diende te worden verlengd tot drie maanden na de uitspraak van dit hof in de verwijzingsprocedure. Omdat de vrouw de procedure nog steeds niet bij het hof aanhangig heeft gemaakt, wordt de looptijd van de bankgarantie aanzienlijk opgerekt, aldus de man. De man heeft daarom in het kader van de rechtszekerheid belang bij verval van instantie. De man beroept zich tevens op het bepaalde in artikel 6 van Pro het EVRM, stellende dat sprake is van misbruik van recht door de vrouw.
2.3 De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, althans dat zijn verzoek dient te worden afgewezen. Artikel 251 Rv Pro is niet van toepassing op een verzoekschriftprocedure zoals de onderhavige nu dit artikel slechts voorschrijft hoe men een verval van instantie in een dagvaardingsprocedure kan vorderen, aldus de vrouw.
2.4 Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man in zijn verzoek tot verval van instantie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe overweegt het hof dat de man zijn standpunt dat artikel 251 Rv Pro eveneens van toepassing is op de verzoekschriftprocedure onvoldoende heeft onderbouwd. Artikel 251 Rv Pro is slechts van toepassing op de dagvaardingsprocedure. Er bestaat geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat artikel 251 Rv Pro eveneens van toepassing is op de verzoekschriftprocedure. Voor zover de man stelt dat hij in het kader van de rechtszekerheid belang heeft bij een beëindiging van de procedure, dan wel dat sprake is van misbruik van recht door de vrouw omdat zij geen procedure aanhangig maakt, overweegt het hof dat het ieder van partijen en dus ook de man vrij staat om, na verwijzing door de Hoge Raad, deze zaak aanhangig te maken bij dit hof. Dit kan eenvoudig door een brief te sturen naar het hof en te vragen om voortzetting van de procedure na verwijzing door de Hoge Raad. Deze mogelijkheid blijft ook thans bestaan. Er bestaat voor de vrouw geen enkele verplichting het hof te verzoeken de behandeling voort te zetten. Er is dan ook geen sprake van misbruik van recht. Dat de vrouw geen actie onderneemt betekent niet dat de man de toegang tot de rechter, in dit geval het hof dat na verwijzing door de Hoge Raad verdere beslissingen in deze zaak moet nemen, onthouden wordt. Hij heeft immers ook zelf de mogelijkheid te verzoeken om voortzetting van de behandeling, indien hij dat wenst. Gelet op de mogelijkheid om op eenvoudige wijze in een verzoekschriftprocedure door te procederen is er geen aanleiding om artikel 251 Rv Pro analoog op deze procedure toe te passen.
3. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot verval van instantie op grond van
artikel 251 Rv Pro;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en R. Krijger, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 4 oktober 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.