ECLI:NL:GHARN:2012:BX4194
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontnemingsvordering na internetoplichting en verkoop gestolen goederen
Veroordeelde stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 19 mei 2011, waarin een ontnemingsvordering was opgelegd wegens medeplegen van internetoplichting en verkoop van gestolen goederen. De advocaat-generaal betoogde aanvankelijk niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de beroepstermijn, maar het hof oordeelde dat het beroep tijdig was ingesteld gezien feestdagen.
De ontnemingsvordering betrof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit advertenties op internet waarbij goederen werden aangeboden zonder levering, en uit de verkoop van gestolen goederen. Het hof baseerde de schatting van het voordeel op bankafschriften, verklaringen en een financieel verslag, waarbij het bruto voordeel uit oplichting werd vastgesteld op €11.581,14. Na toepassing van een pond pond gewijze verdeling kwam het voordeel ten laste van veroordeelde op €5.790,57. Daarnaast werd €800,00 aan opbrengsten uit diefstal meegenomen.
Vorderingen van benadeelden werden in mindering gebracht, resulterend in een netto wederrechtelijk verkregen voordeel van €4.563,20. De verplichting tot betaling aan de Staat werd vastgesteld op €4.550,00. Het hof oordeelde dat de niet-tijdige aankondiging van de ontnemingsvordering geen niet-ontvankelijkheid rechtvaardigde en dat veroordeelde niet wezenlijk in zijn belangen was geschaad. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beslist conform deze vaststellingen.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €4.563,20 en legt een betalingsverplichting van €4.550,00 aan veroordeelde op.