ECLI:NL:GHARN:2012:BX1303
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens opzettelijk onjuiste omzetbelastingaangiften met geldboete
Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte in hoger beroep veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over de periode van 2003 tot en met 2005. Verdachte had gedurende twee jaar maandaangiften ingediend die niet overeenkwamen met de werkelijkheid, omdat hij niet beschikte over voldoende liquide middelen om de verschuldigde belasting tijdig te voldoen. Hierdoor beschikte verdachte langer over geld dat aan de Staat toebehoorde, wat als concurrentievervalsend werd aangemerkt.
De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte handelde vanuit een slechte financiële situatie en dat het telkens de bedoeling was om de onjuiste aangiften later te corrigeren met suppletieaangiften. Ook werd een beroep gedaan op de inkeerregeling en op schending van artikel 6 EVRM Pro, maar deze verweren werden door het hof verworpen. Het hof oordeelde dat verdachte wist dat de aangiften onjuist waren en dat er geen toestemming of goedkeuring van de Belastingdienst was voor deze werkwijze.
Het hof legde een onvoorwaardelijke geldboete van €10.000 op, verlaagd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, met een vervangende hechtenis van 85 dagen bij niet-betaling. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld in hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €10.000 wegens het opzettelijk doen van onjuiste omzetbelastingaangiften.