ECLI:NL:GHARN:2012:BW5457
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- W.L. Valk
- G.P.M. van den Dungen
- Th.C.M. Willemse
- L.L.M. de Lorijn
- H.B.M. Duenk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid en billijkheid bij melkquotum en pachtovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of en in hoeverre de redelijkheid en billijkheid een aanvullende of beperkende werking hebben op de toekenning en teruggave van melkquotum bij het einde van een pachtovereenkomst. De percelen waren in het referentiejaar 1983 al in gebruik bij de pachter, hoewel hij pas in 2000 formeel pachter werd. Het hof stelde vast dat er een direct verband bestaat tussen het verpachte bedrijf en het melkquotum.
De pachter voerde aan dat zijn vader het bedrijf feitelijk gebruikte en dat de pachtovereenkomst pas later formeel tot stand kwam, met bijkomende voorwaarden van de gemeente. Het hof verwierp deze stellingen omdat de pachter onvoldoende onderbouwing gaf en de feitelijke omstandigheden wezen op gebruik door de pachter zelf in het referentiejaar.
Het hof concludeerde dat de pachter bij het beëindigen van de pachtovereenkomst een deel van het melkquotum, evenredig aan het verpachte, aan de verpachtster moet teruggeven, met aanspraak op een vergoeding van de helft van de waarde daarvan. De gestelde onredelijke voorwaarden door de gemeente bij indeplaatsstelling deden hieraan niet af.
De gemeente had de pachtovereenkomst inmiddels ontbonden en stelde dat de aanspraak op het melkquotum als verrekenpost in de schadeloosstelling moest worden opgenomen, waardoor de kwestie in dit geding niet meer aan de orde was. Het hof bekrachtigde het vonnis van de pachtkamer en veroordeelde partijen in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van de pachter af, waarbij hij een deel van het melkquotum moet teruggeven met vergoeding.