ECLI:NL:GHARN:2012:BW4247
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestemmingwijzigingswinst bij staking landbouwonderneming en opstalrecht windmolen
Belanghebbende, een landbouwondernemer, staakte in 2003 zijn onderneming na verkoop van cultuurgrond waarop een opstalrecht voor een windmolen was gevestigd. De kern van het geschil betrof de omvang van de bestemmingswijzigingswinst die bij staking in aanmerking moet worden genomen, met name de waarde in het economische verkeer (WEV) van de grond.
Belanghebbende stelde dat de WEV € 233.000 bedroeg, gebaseerd op een taxatierapport dat uitging van een beperkte exploitatieperiode en onzekerheden omtrent de exploitatie na de MEP-subsidieperiode. De Inspecteur stelde een hogere WEV van € 365.000, onderbouwd met een taxatie die rekening hield met de volledige contractuele periode van het opstalrecht en de jaarlijkse indexatie van de retributie.
Het Hof oordeelde dat de waarde van de grond op 14 april 2003 moet worden vastgesteld, rekening houdend met bekende en verwachte ontwikkelingen, waaronder het opstalrecht voor 20 jaar met mogelijke verlengingen. Het Hof achtte aannemelijk dat de Inspecteur voldoende rekening had gehouden met toekomstige onzekerheden en dat de hogere waarde van de grond terecht was vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Ook de heffingsrente werd in stand gelaten. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.