ECLI:NL:GHARN:2012:BW4026
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- H. De Hek
- M.E.L. Fikkers
- M.C.D. Boon-Niks
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontbinding huurovereenkomst en afwijzing partiële ontbinding wegens gebreken
De zaak betreft een geschil tussen een huurder en Woningmaatschap over gebreken aan een huurwoning en de daaruit voortvloeiende huurbetalingen en schadevergoeding. De huurder stelde dat gebreken zoals schimmel en vocht de huurgenot ernstig hadden aangetast, waardoor zij recht had op partiële ontbinding van de huurovereenkomst en huurkorting. Woningmaatschap vorderde betaling van achterstallige huur, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.
De rechtbank had de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming toegewezen en de vorderingen van de huurder afgewezen. In hoger beroep betoogde de huurder dat zij al in 2002 klachten had gemeld over vocht en schimmel, en dat de problemen na 2007 waren teruggekeerd, onderbouwd met een GGD-rapport. Tevens stelde zij dat de schade-expert de schade aan haar inboedel niet juist had vastgesteld.
Het hof oordeelde dat de huurder onvoldoende bewijs had geleverd van tijdige en behoorlijke kennisgeving van de gebreken aan de verhuurder, zoals vereist op grond van artikel 7:207 BW Pro. Klachten van buren konden niet voor haar worden toegerekend. Ook was het ongeloofwaardig dat zij pas in 2010 melding maakte van verloren goederen na de schoonmaak in 2007. Het beroep op opschorting van huurbetaling faalde omdat niet was aangetoond dat het huurgenot volledig ontbrak.
Daarom werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, waarbij de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming gehandhaafd bleven, en de vorderingen van de huurder tot partiële ontbinding en schadevergoeding werden afgewezen. De huurder werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst en wijst de vorderingen tot partiële ontbinding en schadevergoeding af.